Annapurna Circuit in Nepal
Moment en plaats van uitwerken van dit reisverslag is na afloop trektocht in Pokhara , een toeristisch ’lakeside’ oord bezuiden de Himalaya bergketen. In de jaren zeventig nog eindstation van mening hippie na een ‘asia overland tour’ nu veel hotels en toerist shops, maar wiet en paddo’s blijven beschikbaar. Normaliter ben ik binnen een paar uur vertrokken van deze plekken, het is er ook nog eens tropisch warm met iedere middag een flinke plensbui. Echter, nu is het een heerlijke tussenstop met aanwezig wat na bijna tien intenstieve dagen in de bergen zo node ontbrak; goede koffie en internet. Enerzijds is het fijn even helemaal afgesloten te zijn, anderzijds merk je hoe afhankelijk je wordt van een verbinding met de buitenwereld, ik kan moeilijk zonder het nieuws en ontwikkelingen. Goede koffie behoeft geen verdere uitleg.
Negen dagen in het hooggebergte waren adembenemend maar ook fysiek slopend. Door de minimale voorbereiding werd een stevig beroep gedaan op vindingreikheid en aanpassingsvermogen. Het was stil en soms eenzaam in de bergen. De (ijle) lucht zo puur en fris als maar zijn kan. Het pad naar de top bleek echter op enkele plekken zeer gevaarlijk, was daarom blij relatief snel op de route een sherpa ingeschakeld te hebben en wat nu overheerst is opluchting en tevredenheid.
Dag 1 Kathmandu – Ghermu ( 1.350 m – 1.200 m)
De wegen en bussen zijn van het slechtse soort welke ik op reizen in ontwikkelingslanden ben tegengekomen. Je kan alleen maar blij zijn uit Kathmandu weg te zijn, een drukke, vieze en lawaaiwerige hoofdstad. Weliswaar het politieke, religieuze en zaken centrum van het land is het voornamelijk begin -en eindpunt van menig reiziger. Het straatarme land (80% komt rond van minder dan 2 dollar per dag) met 30 miljoen inwoners, kent ook hier het enige serieuze (internationale) vliegveld. Eerste indruk vertoont gelijkenissen met India en de schade van de enorme aardbeving drie maanden terug lijkt mee te vallen. Schijn bedriegt echter en op veel rurale plekken waar huizen van klei of hout gemaakt zijn is de schade en pijn immens. Toeristen laten het land massaal links liggen, ‘adding insult to injury’ want het land heeft de toeristen dollars zo hard nodig, juist nu. Uitzonderingen met betrekking tot het verkrijgen van ‘trekking permits’ en toegangsbewijzen voor nationale parken worden echter niet gemaakt en juist nu wordt door sommige slinkse locals getracht toeristen tot de laatste cent uit te knijpen, al is je onderhandelingspositie met betrekking tot overnachtingskeuze als vrij stevig te bestempelen.
Weg uit de broeierige hoofdstad volgen zeven uur van opeenvolgende, benauwde busreizen waarbij ik het eerste stukje van de ‘ Annapurna Circuit ’ (AC) besluit niet te lopen daar dit mede door motorvoertuigen gefrequenteerd wordt. De AC is een sluitende trekking route rondom de Annapurna bergketen, onderdeel vormend van de complete Himalaya. Voornamelijk tegen de klok in lopend uitgevoerd is het circuit lang geroemd geweest als een van de mooiste langere trektochten ter wereld. Het laatste decennium heeft het iets van deze faam moeten inleveren ten gunste van het faciliteren van gemotoriseerd vervoer. Het is een ‘trade-off’ voor het lokale bergvolk dat altijd wandelend door de bergen getrokken heeft, handelend of voor sociale doeleinden. Het overgrote deel is nog altijd gevrijwaard van jeeps, zo ook de rijstvelden van Nagdi waar ik ’s middags 16.00 de eerste stappen zet. Dit is inclusief een te zware rugtas in tropische omstandigheden waardoor ik drie uur later stuk en volledig doorweekt in schemerlicht bij een ‘lodge’ aankom. De boerenschuur verdient nauwelijks het predikaat ‘hotel’ en er lijkt aan de lichaamstaal van de gastheer in lichtjaren geen toerist te zijn geweest. Er wordt in allerijl een bedje met schuimmatras van het dunste soort opgemaakt in een houten schuurtje vergeven van de insecten. De prijs van 1 euro is er dan ook naar en er kan zowaar nog een maaltijd in elkaar gezet worden waarna ik toch nog redelijk kan douchen en slapen.
Dag 2 Ghermu – Daraphani (1.200 m – 1.900 m)
Het eerste dringende advies van de authoriteiten om nooit alleen te wandelen sla ik natuurlijk direct in de wind en moet hier al na een dag van terugkomen. Het is overduidelijk dat ik een drager( ‘sherpa’ of ‘porter’ ) nodig heb, is het niet voor de (over)bagage dan wel voor veiligheid. De route is immers bezaaid met lastige obstakels en stijle bergwanden naast smalle grind paadjes waar een misstap waarschijnlijk einde verhaal betekend.
Bij een ontbijt van pannenkoeken en lokale honing onderhandel ik met de baas des huizes over het inschakelen van hulp, en de geldstroom binnen de familie houdend, schuift hij snel zijn neef naar voren die als leraar toch enkele weken niks te doen heeft. Deze jonge knul kan direct vol aan de bak het leeuwendeel van de bagage voor zijn rekening nemend. Hij zal tot de slotklim alles op slippers (!) lopen, ontzagwekkend ook al zijn lokals hier gewend aan. De onderlinge communicatie wordt enigszins bemoeilijkt daar ik geen ‘Nepali’ spreek en zijn Engels behoeft ook wel een opfriscursus. Echter Sherpa’s zijn overigens een etnische minderheid nabij het Everest gebied, beroemd om hun draagkracht en activiteit op grote hoogtes.
We klimmen gestaag over het grindpad naast een kolkende rivier die, uit talloze zijtakken aangevoerd, het (smelt) water naar lagere oorden brengt. Het is regenseizoen en dat zullen we gauw genoeg merken. De monsoon komt zo rond het middaguur vanuit de Bengaalse golf over dit gebied aanzetten en het zal voorlopig keihard door plenzen. We waren hierop voorbereid. Desalniettemin komen we na zeven uur lopen doorweekt bij onze eindbestemming aan. Ik ben redelijk stuk en de kleine pijntjes wijzen erop dat ik het tol moet betalen voor iets te hard doortrekken de dag ervoor. Het lijkt traditie dat locals niets voor voeding en onderdak gerekend wordt terwijl toeristen het volle pond betalen. Er is een gapend gat tussen ‘Nepali’ en ‘tourist’ prijzen.
Dag 3 Daraphani – Dhukurpokari (1.900 m – 3.000 m)
Het is en laagseizoen en toerisme is na de aardbeving met zo’n 90% ingezakt wat resulteert in lege wandelpaden en lodges. Weliswaar lekker rustig maar weinig aanspraak. Volop tijd voor hersenspinsels over hoe het bedrijf thuis beter te organiseren. We komen enkel wat herders tegen en wat opvalt is dat juist de locals afval zonder moeite naast zich neer gooien. Mijn sherpa levert goed werk. Het valt me niet mee emoties aan Aziaten af te lezen maar al gauw kunnen we praktisch goed samen overweg. We lopen de hele dag, het is warm en de benen zijn nog altijd niet in goede doen. Op enkele stukken is de weg onbegaanbaar door overstromingen en kiezen we alternatieve routes. De hoofdroute is vrij goed bewijzerd door de overgenomen rood-witte pijlen uit de Franse Alpen. Soms raken we echter in de war en omdat mijn sherpa de route ook nooit eerder bewandeld heeft is het soms gokken. In vrijwel ieder dorpje zijn de ‘gebedsrollen’ en kleine stupa’s met gedenkstenen te zien. De laatste kunnen worden omschreven als meditatie altaars met oude boeddhistische teksten in steen gegraveerd. De eerste zijn draaiende metalen rollen met daarin papieren mantra’s welke de monnikken in gezang constant herhalen als oefening. Natuurlijk kunnen de karakteristieke kleurige vlaggetjes met teksten niet ontbreken, vrijwel overal te zien en echt typerend voor Nepal.
Om vier uur ’s middags staan we voor een cruciale keuze; we kunnen de lokale slaapplek pakken of doorlopen waarbij in het minst gunstige geval we nog 3-4 uur voor onze kiezen krijgen. Het pakt slecht uit; om zeven uur ’s avonds komen we uitgeput aan bij de eerste beste lodge. Een hond heeft al die tijd voor ons uit gelopen, lijkende ons de weg te willen wijzen. We zitten inmiddels op drie km hoogte en de frisse onmiskenbare geur van de mooie naaldwouden verzacht de pijn enigzins. We krijgen een goede maaltijd voorgeschoteld en slapen als een blok. De volgende ochtend is pas goed zichtbaar welke rotspartij achter het dorp schuilgaat, een dramatisch stijle bergwand gevormd door glaciale erosie, door de lokals de ‘gate to heaven’ genoemd. Ook kom ik te weten dat met een halve dag voorsprong een trekker met gids voor ons uit loopt, geen betere motivatie voor mij. Langzaam komen de grote pieken van de Annapurna in beeld en hier en daar doemen kleine, losse overgebleven gletsjers op. Vreemd genoeg zijn ze soms wat zwartachtig door ingesleten zand, steentjes en gruis.
Dag 4 en 5 Dhukurpokhari – Manang (3.000 m – 3.500 m)
Rond het middaguur bij de lunch stappen we dan geheel toevallig bij een Francaise en haar gids een restaurant binnen, blijkbaar hebben we doorgelopen. Ze lijkt, net als ik dat ben, blij en verrast een westerling te zien. Flinke hoofdpijn van de hoogte speelt haar al parten maar het is leuk even bij te praten. We komen langs wat niet anders dan het minst drukke en verlaten vliegveld ter wereld kan zijn met een overwoekerde start en landingsbaan. Rond vier uur komen we dan in Manang aan, een bekende springplank en tussenstop op weg naar hogere oorden. De ingeplande rustdag wordt sterk aangeraden om te acclimatiseren en komt goed uit weer op krachten te komen. Gelukkig ook hier, net als de vorige stop, een goed Engels pratende vrouw des huizes die zowaar ook nog eens lijkt te beschikken over uitmuntende kookkunsten. Vanwege het seizoen is er weinig andere keus dan de lokale ‘dal bhat’, een vegetarische curry met rijst of japati. Alcohol mijdt ik liever ten faveure van het lokale ‘seebuckthorn’ sapje, bessen van een struik bomvol vitaminen. De Francaise overspoelt me met verhalen, ze woont hier al jaren en laat sieraden maken die ze in Frankrijk verkoopt. Ondertussen leert haar gids mijn sherpa de fijne kneepjes van het vak.
Nepal is een etnisch zeer divers en complex land. Ingeklemd tussen grootmachten als India en China wordt de cultuur gedefinieerd door kaste, hierarchie en familie. Ruim 80% van de bevolking woont in bergachtige gebieden, door elkaar verbonden door een ingenieus netwerk van eindeloze wandelpaden. Door de eeuwen heen hebben talloze migratie stromen plaatsgevonden en met name tref je Tibetaans, Indiaas en meer lichter Pakistaans aandoende mensen aan. Op minder heldere momenten heb ik enkele seconden nodig te realiseren waar ik precies ben en vertroebelen flashbacks van oude tijden op de Filippijnen in India en China mijn realiteitszin.
Op 3.5 km is de lucht duidelijk ijler en doen zich de eerste milde symptomen van hoogteziekte voor. Het is belangrijk veel water te blijven drinken al raakt het lichaam dat ’s nachts tijdens vaak slapeloze nachten weer net zo makkelijk kwijt. Je fysieke gestel moet kunnen wennen aan de hoogte en wat goed werkt is per dag niet meer dan 750 hoogtemeters te stijgen en lager te slapen dan het die dag hoogst bereikte punt, dit laatste kan door afzonderlijke acclimatisatie tochtjes ‘topjes’ van een paar uur naar 200-300 meter hoger. Lager slapend kan het lichaam makkelijker meer rode bloedcellen aanmaken die het zuurstof beter door het lichaam kunnen transporteren. Een door menig ambitieuze wielrenner beproefde methode. Het is erg tegen mijn natuur niet steeds door te gaan maar het geleidelijk aanpakken is de enige manier hoge bergpassen te bedwingen. Op de rustdag word ik helemaal zen van twee boeddhistische monnikken die de ganse dag in het restaurant mantra’s chanten en lees ik het geweldige boek van Joris Luyendijk over de (nog steeds) rotte financiele sector.
Dag 6 Manang – Ledhar (3.500 m – 4.200 m)
We kunnen weer aan de bak, omstandigheden zijn uitstekend te noemen. Op smalle bergpaadjes zijn we uren alleen temidden van de hoge, enigszins beangstigende witte toppen. Beangstigend omdat af en toe de echo van afbrekend ijs/ sneeuw weerklinkt. In het laagseizoen zijn de kleinere ‘tea shops’ onderweg dicht en ook alle water hervul stations zijn gesloten. Onvoldoende proviand meenemen is dus gekkenwerk en mijn sherpa’s geringe ervaring lijkt hem parten te spelen daar hij urenlang werkelijk niks drinkt en eet. Hij neemt gelukkig af en toe een Snicker of Mars van me aan. Geen wonder toch dat hij bij het spookstadje ‘Yak Karkha’ over hoofdpijn begint te klagen, tijdens de lunch bij mij niet anders maar gek genoeg is het na een korte pauze weer weg. Het weer slaat om en binnen 10 minuten is het volledig bewolkt en nat, we zien niet meer dan 30 meter voor ons uit. Bij het gehucht met drie huizen ‘Ledhar’ op 4.200 meter treuzelen we lang over wat we zullen doen. Ik besluit dat we nog twee uur doorgaan naar het volgende stadje, ondanks dat we eerder gewaarschuwd zijn voor gevaarlijke passages. Het begint steeds meer te spoken en donderen in de verte, we weten niet of het onweer of lawines zijn. Af en toe stoppen we en steeds minder zien we goed vooruit, net op dat moment doemt er uit de mist een lokal op die aangeeft waarom we toch niet eerder gestopt zijn. We maken direct rechtsomkeert, er zit niks anders op in het zeer primitieve hutje betere omstandigheden af te wachten.
Dag 7 Ledhar – High camp (4.200m – 4.900 m)
Eerste blik uit het raam voorspeld weinig goeds maar het is al snel een stralende dag met strak blauwe hemel. Bij gebrek aan douches met heet water doet al dagen de ijskoude water stroom uit de bergen dienst als opfrisser. Zelfs avontuurlijke trekkers willen op hun wenken bediend worden en menig hectare kostbaar woud is al aan warme douches opgestookt. Weinig duurzaam en alternatieve energiestromen als waterkracht centrales worden uit de grond gestampt al vloeit de elektriciteit maar al te graag weg naar India en China. Wie betaald, bepaald. Ruim voorbij de boomgrens trekken we, een hurde yaks ontwijkend, door de canyon op weg naar Thorong Phedi, ook wel bekend als ‘basecamp’ op 4.500 meter. De yaks zijn geweldige klimmers en bieden melk, kaas en vlees voor het lokale bergvolk. Een groot Yak mannetje is niet te verwarren met de Yeti, het nog altijd onopgeloste raadsel over het bestaan van mens/ dier ‘bigfoot’.
Weinig tijd om hier over te dagdromen; voor ons doemen obtstakels op, hele stukken bergwand zijn weggevaagd en de overkant is nauwelijks beter met een smal grindpad. In feite zijn het stijle hellingen vol met steen en grind met erover wat op een pad moet lijken. Levensgevaarlijk. Een los rakende steen of misstap en je ligt 50 meter beneden. Alsof dat nog niet genoeg is doemt uit het niets een galopperende kudde yak op, uitgerekend op dit stuk! Paniek op het gezicht van mijn sherpa, voor het eerst. We kunnen geen kant op, een onvoorspelbare manoeuvre van dit beest betekent ernstige problemen. In feite kunnen we enkel afwachten wat gebeuren gaat en zie ik tijd zowaar nog een foto te schieten. Wel zien we al snel dat er een herder achter de kudde loopt, die godzijdank met steentjes en geluiden de beesten hoger op de bergwand in het gareel weet te krijgen. Ik bleef redelijk rustig maar besefte dat we de controle kwijt waren. Uitgeput, met name van spanning, bereiken we het op een na laatste kamp voor de top en hebben een uur nodig bij te tanken. Fysiek voel ik me goed en als we naar buiten stappen zoeken we naar het pad, ieder scenario houdt echter een stijle, rotsachtige beklimming in en het is moeilijk voor te stellen dat we daar boven op die uitstekende rots zullen uitkomen.
Door schade en schande wijs geworden ga ik bewust erg langzaam met een tempo van 2 km/u de berg op, onderbroken door enkele water drink pauzes. Hoe hoger, hoe essentieler water inname wordt. Op bijv. 6 kilometer hoogte is er nog slechts 50 % zuurstof in de lucht vergeleken met zeeniveau (op Mt. Everest 29%) waardoor het voor de mens moeilijker wordt zuurstof op te nemen. Reactie van het lichaam is vervolgens de hartslag te verhogen en ademhaling te versnellen. Omdat de lucht zo droog is raak je door de versnelde ademhaling meer vocht kwijt. Dit moet worden gecompenseerd. Wat meespeelt is dat het bloed stroperiger wordt, veel drinken gaat dit enigszins tegen. Het beetje zuurstof dat aanwezig is wordt gebruikt voor de belangrijkste lichaamsfuncties: hart, long –en hersenfuncties. Het vermogen voor overige processen wordt behoorlijk teruggeschroeft waardoor bijvoorbeeld het denkproces trager verloopt. Zuurstof moleculen worden schaars en verschillende lichaamsfuncties dingen assertief naar hun gunsten. Meerdere malen maak ik mee simpele feiten niet te kunnen reproduceren. Het voordeel is dat dagelijkse beslommeringen naar de achtergrond verdwijnen en je alleen nog kunt richten op fit blijven en de top halen. Geen wonder dat sommige retraites op hoogte gehouden worden! Overigens kost ook spijsvertering zuurstof en soms roept zelfs de gedachte aan eten enige weerzin op. Lichaamsreserves zijn (tot op zekere) en grotere hoogte dan ook geen overbodige luxe.
We weten dat als we high camp op 4.900 bereiken we een essentiele stap in de richting van onze ambitie voor deze tocht gezet hebben. Het is uitgestorven boven en blij zijn we als iemand uiteindelijk de deur opendoet. We hoeven ons met de beschikbaarheid van circa 100 bedden over een slaapplek geen zorgen te maken. Een knallende hoofdpijn zet op, vergezeld van lichte misselijkheid. Mijn handen zijn al dagen lang opgezwollen. Geen goed teken en al heb ik totaal geen trek werk ik toch een dal bhat naar binnen. Mensen met forse hoogteziekte worden als dronken ervaren en kunnen geen rechte lijn meer lopen. We staren met z’n drieen lange tijd wazig voor ons uit en zien hoe in mum van tijd het weer volledig omslaat. Hagel, regen en sterke windstoten isoleren ons volledig op deze eenzame en hoge berghut. Het is moeilijk voor te stellen dat hier in betere tijden tientallen mensen samenkomen en plezier hebben.
Onze host heeft een eenzaam beroep en runt deze plek zelfstandig, van tuinieren tot koken en schoonmaken. Tijdens de aardbeving drie maanden geleden zat hij bij het hetzelfde raam waar we nu zitten, getuige van hoe de aarde om hem heen beefde en schudde. Ik knap iets op en waag het toch op een topje van 150 meter hoger, het gaat redelijk totdat ik boven bij ongelofelijke vergezichten weer misselijk wordt. Het zijn momenten dat je je, feitelijk toebehorend aan zeeniveau, afvraagt wat je hier in vredesnaam te zoeken hebt en snel daal ik af. Er stijgen twee markente figuren naar boven, het zijn boeddhistische monniken op een pelgrimstocht cq uitstapje. Ook zij zullen morgen de poging wagen en ’s avonds nuttigen we in cameraderie een gezond galgenmaal al blijkt Engels spreken er niet of nauwelijks in te zitten.
Dag 8: Highcamp – Thorong La – Muktitath - Jomsom ( 4.900m – 5.416m - 2.800m)
Achteraf lees ik dat het beter was geweest iets lager te slapen alvorens de bergpas over te steken. Desalniettemin zijn we vijf uur ’s ochtends –na een steenkoude nacht- uit de veren om op de top sterke en koude windstoten in de loop van de ochtend voor te zijn. Het viertal, van uiteenlopend pluimage, begint aan de ongeveer drie uur durende beklimming. Na de wolk en mistbanken lopen we boven de 5 km voor ons gevoel op het dak van de wereld. Om ons heen enkel de adembenemende vergezichten met besneeuwde pieken van de Annapurna I, II en III. Het is ongelofelijk dat hier een groepje lokale jongemannen een stenen hutje in elkaar aan het klussen is. In de tijd van de Maoistische rebellen, nog niet zo lang geleden, was de kans groot dat we om ‘tol’ of ‘donaties’ gevraagd werden alvorens onze reis voort te kunnen zetten.
Als een diesel trek ik gestaag naar boven, stoicijns, op eigen tempo. Het is duidelijk dat de anderen sneller kunnen, van onze twee monnik vrienden had ik dat wel verwacht, mijn sherpa overtreft wellicht zijn eigen verwachten en wat hij laat zien is een knap staaltje werk. We blijven bij elkaar en van de vier kilo water die ik draag is na 1.5 uur de helft op. We lopen op een maanland achtig landschap temidden van twee pieken, duidelijk de vorm van een bergpas. Gelukkig is het niet zo steil hier, en na enige tijd wordt duidelijk dat we in de buurt van ons doel komen. Zonder de laatste klim echt in de problemen te zijn gekomen, anders dan vorig jaar, bereiken we Thorong La op 5.416 meter boven zeeniveau. Afgezien van de bekende foto rituelen willen we niet al te lang op deze hoogte vertoeven, hoofdpijn klopt op de deur of is bij een aantal al binnen.
De afdaling is technisch en lang, door stenen, grind en gruis manouvrerend waarbij het zaak is enkels en knieen te ontzien. Dat het hier eind vorig jaar volledig misging toen onverwacht een sneeuwstorm opzette is tragisch, verhalen van overlevenden zijn bijna niet te geloven. Met een meter sneeuw over deze soms wel heel stijle afdaling afdelen is gekkenwerk. Het hele onderlichaam begint ondertussen zeer te doen, het zicht op het eindpunt een kilometer lager en ver in de horizon is zowel ontmoedigend als betoverend. Alsof je door het raam naar een andere wereld kijkt. Een wereld van droge woestijnrotsen, in cultuur en locatie grenzend aan Tibet.
Na een korte, ongeinspireerde hap eten is het ploeteren, hinken en strompelen naar de eeuwenoude tempel van Muktinath waar onze twee vrienden een foto-moment willen creeren. Het is nog maar 13.00 als we in het aangrenzende slaperige stadje aankomen. Geen plek om te blijven plakken. Doorgaans wordt hier de bus gepakt naar het verderop gelegen Jomsom, het alternatief is een vier uur durende tocht over de schrale, winderinge en stoffige weggetjes. Geen prettig vooruitzicht en alleen met pijnstillers zou ik nog verder kunnen. Ik snak naar een douche, gezonde hap eten en bed. De anderen zitten eveneens stuk en we lappen geld bij elkaar voor een jeep die ons, volledig door elkaar geschud, in Jomsom afzet. Daarbij, achteraf blijkend, een prachtig, eeuwenoud handelsstadje links te hebben laten liggen.
Dag 9 Jomsom –Pokhara (2.800 m – 800 m)
Waar de twee monnikken de energie vandaan halen is me een raadsel maar ze bleven maar doorreizen en lopen. Misschien maken ze zich veel minder druk dan westerlingen. Als sardientjes, ook al is er geen zee te bekennen, opgekropt begonnen ze aan een dag lange rit naar Pokhara. Ik had mijn zinnen gezet op een eerder geadverteerd gezien hotel en dit stelde me geenszins teleur. Om het volledige circuit lopend af te ronden was het nog drie dagen lopen naar Pokhara, het minst interessante stuk afgezien misschien van Poon Hill. Het zeer winderige Jomsom heeft zowaar beschikking over primitief vliegveld, echter tickets naar Pokhara voor de volgende dag waren uitverkocht. Een onderhoudende Indier, hotelmanager, praatte me bij over de omgeving en beloofde uit te zoeken of er de dag erop toch nog een plekje vrij zou komen. Dat kwam er, de beste man stond reeds om 6 uur op mijn deur te kloppen. Ik moest linea recta, halsoverkop te voet naar het vliegveld op twee minuten afstand. Waar vind je het nog dat je rugtas op een ouderwetse wijzer weegschaal gewogen wordt? Een groep Vlamingen vulde het ‘vliegtuig’ al snel op, niet geheel verwonderlijk daar het om een propellor type Dornier 228 gaat waar je nog gezellig met de piloten kunt meekijken.
Drie dagen Pokhara maken voldoende onrustig er weer op uit te willen trekken. De bergen in, waar het rustig en schoon is. Het omringende gebied biedt een ruim arsenaal aan interessante ‘trekking trails’ welke individueel goed te behappen zijn. En zo geschiedt het dat ik, na afgezet te zijn door een taxi, direct eindeloze traptredes bestijg, in de vorm van platte, bewerkte granieten platen. Al snel blijk dat, in tegenstelling tot wat ik vermoedde, de zuidelijke wandelpaden van de Annapurna Conservation Area vaker - door toeristen - belopen worden dan het noordelijke deel van vorige week. Hier valt toch echt het leeuwendeel van de dagelijkse monsoon regenbui, reden kan wellicht gezocht worden in de lagere moeilijkheidsgraad en nabijheid van Pokhara. Enfin, het broeierige regenwoud herbergt listige en dubieuze bewoners, van klandestiene wietverkopende ‘didi’s’ tot aan de gevreesde ‘leeches’. Met name deze bloedzuigers zijn in het regenseizoen een ware plaag voor naïeve voorbijgangers. Vrijwel ongemerkt en razendsnel kruipen de beestjes van je schoen je been op, zoekende naar het fijnste plekje om zich vol met menselijk bloed te zuigen. Doch relatief ongevaarlijk is het vooral het ongemakkelijke idee dat je preventief regelmatig op je schoenen en benen doet kijken. Het is bizar hoe snel dit beestje, soms ingezet voor medicinale doeleinden, aan je voetzool blijft plakken en zich een weg naar boven vind. Er moeten zich in dit bos miljarden exemplaren bevinden want vijf seconden stilstaan staat garant voor 1 of 2 nieuwe lichaamsbewoners.
Doorlopen is dus het devies. En dat doe ik, in goede conditie passeer ik lodges, teahouses en veeg andere trekkers op. Het terrein gaat constant op neer. Wanneer je de frisse, koele stromende rivier bereikt hebt weet je dat het weer klimmen geblazen is. Eind middag kom ik in Landruk aan, het doel voor de dag was echter Gandruk aan de overkant van het dal. Dit teneinde een goede kans te hebben de trek in precies drie dagen te voltooien. De standaard vragen van locals worden voorspelbaar ‘uit welk land’ en ‘waar kom je nu vandaan’, op mijn beurt is het steevast ‘hoe lang nog naar....?’ . Verschillende bronnen bevestigen twee uur, waarvan het grootste deel de stijle trappen op naar Gandruk. Het begint enorm te plenzen en voorzien van regenponcho passeer ik even later een schuilende trekker. Het is een veel te zwaar bepakte, onvoorbereide jonge Australische (met Nederlandse roots) die bijna niet meer vooruit kan en me vraagt of er bovenop lodges zijn. Dit beaam ik en haar tweede tas voor mijn rekening nemend maken we vaart, halsrijkend uitkijkend naar een droge warme slaapplek. Dit doel komt tegen zes uur binnen handbereik. Mijn nog maar twintig lentes jonge reisgenoot blijkt ook nog verdwaald te zijn, echter kan dit de volgende dag nog goed rechtgezet worden. Een koude douche, droge kleren en ‘dal bhat’ doen twee vermoeide reizigers aan het einde van de dag goed.
De ochtenden in de bergen zijn heerlijk; fris en mooie vergezichten. Citroen-gember-honing thee en het spannende ‘Into Thin Air’ boek maken voor een compleet ochtend ritueel. Al snel scheidden onze wegen, ik had mee gegaan op de langere trek ware het niet dat dit omwille van de tijd niet mogelijk was. Glibberige weggetjes omhoog volgen, de eerste trekkers die de route andersom volgen doemen op en kort worden ervaringen uitgewisseld. Manisch obsessief door de leeches maak ik voort en kom in een berghut een onmiskenbaar Nederlands koppel tegen. Pik twee mensen uit de mensenmassa op Utrecht Centraal en zet ze in het buitenland neer, herkenning verloopt makkelijker dan menig ‘Oslo confrontatie’. Nederlanders tegengekomen in het buitenland is, uitzonderingen daargelaten, niet bepaald een van de hoogtepunten van een doorsnee vakantie. Dit is zo’n uitzondering, en met meer interesse en enthousiasme dan gebruikelijk in het thuisland, wisselen we ervaringen uit.
Vele uren wandel ik stevig door, tijdens een plensbij maak ik een flinke schuiver in de modder. Vlak voor de eindstreep van de dag blokkeert een defensieve buffel het pad, de leeches hebben vrij spel terwijl ik een voorzichtig omtrekkende beweging maak. Ghorepani is een werkelijk troosteloze bedoeling, je kunt enkel een keuze uit het minst ongeinspireerde hotel maken. Niet geheel zeker of dit gelukt is beland ik aan de eettafel met een oude, rare Japanner wiens enkele levensdoel zich tot het beklimmen van Mt. Everest beperkt heeft. Een andere vreemde snuiter complementeert het trio, het eten is belabberd. Het stadje is de springplank naar het bekende uitkijkpunt ‘Poon Hill’ op 3.200 meter. Vroeg in de ochtend met helder weer en opkomende zon is het beproefde ideale scenario, ik laat me verderop echter eerst de pannenkoeken goed smaken alvorens de tocht omhoog in te zetten. De vergezichten zijn inderdaad fenomenaal met vrijwel iedee besneeuwde piek van de Annapurna duidelijk op het netvlies. Het ontbreken van andere toeristen maakt voor een mooie ervaring.
Een lange afdaling volgt, onderbroken door korte pauzes in de dorpjes. De doorgaande route wordt naast wandelaars door veel pakezels gebruikt, resulterend in stinkende hopen stront. Het vergt weinig voorstellingsvermogen dat met regenbuien en grondwater deze resten in lokale stroompjes belanden die overal dienst doen als voornaamste drinkwater bron. Ik ben voorzien van waterzuiverings druppels maar de smaak wordt er niet beter op. Koeien worden geen strobreed in de weggelegd en zijn onmiskenbaar in het dagelijkse straatbeeld. Honden daarentegen worden behoorlijk snel geschopt en met stenen bekogeld.
Letterijk terwijl ik deze paragraaf schrijf loopt hier in Pokhara het Russische koppel langs met wie ik delen van het laatste stuk optrok. We vragen hoe we uiteindelijk weer in de stad aangekomen zijn daar het meest verraderlijke stuk lag, zonder dat we er erg in hadden, nog voor ons lag. De jongen had al ergens gehoord dat er op hoofdroute met de bus terug naar Pokhara flinke modderstromen hadden plaatsgevonden, resulterend in blokkades en dus opstoppingen. Afgelopen nacht heeft het vrijwel onophoudelijk geregend. De stroompjes en rivieren nemen in kracht toe en zetten meer losrakende stenen en grind af. De soms weinig stevige hellingen met rijstvelden bezwijken onder de druk en hele modderstromen overspoelen de wegen. Toen ik eind middag op het eindpunt arriveerde had ik nog weinig benul van de chaos die zich verderop afspeelde. Al snel moesten we de auto uit en zagen hoe de mobiele eenheid zich van de situatie meester probeerde te maken. Dit viel geenszins mee daar op sommige stukken wel twee honderd meter breed de weg volledig overspoeld was met modder en stenen. Stukken berghellingen zijn compleet weggevaagd en doorgaande reizigers proberen door rijst terrassen hun weg te vervolgen. Bussen en vrachtvervoer zijn gestrand en ik loop maar verder, op zoek naar iets wat me in Pokhara kan brengen. In tegenstelling tot het Russische koppel lukt me dit uiteindelijk en ’s avonds terug in de stad blijkt pas de omvang van de lokale ramp die zich voltrokken heeft: http://www.bbc.com/news/world-asia-33714147 . Bijna 40 mensen moeten het leven laten in een regio reeds zo geplaagd met rampspoed.
Recent Posts









