Noorwegen - Hardangervidda
De treinreis van Oslo naar Bergen (ruim 7 uur) geeft al een voorproefje van wat komen gaat. Geen polders maar bossen, meren en al snel ruiger terrein met sneeuw en ijs. Dat terwijl de zomer al even onderweg is, op hoger gelegen gebieden blijft het echter nooit geheel sneeuw -en ijsvrij. In de trein veel mensen met volgepakte rugzakken. Elke gram bagage telt voor de wandelaar op lange tochten, je wilt voldoende mee maar zeker niet te veel. Voor meerdaagse tochten door de bergen wordt in de zomer als ondergrens 7 kilo aangehouden, ervan uitgaand dat je niet kampeert. Met minder loop je het risico in slecht weer te weinig warms en droogs te hebben. Kamperen betekent zeker 20 kilo maar geeft wel de vrijheid te bepalen waar je die nacht de tent opzet. De medewerker van de DNT-winkel (een soort Noorse VVV, met focus op bergsport-recreatie) in hartje Oslo raadde me af een regenbroek aan te schaffen maar smeerde me wel een kaart en universele sleutel voor een van de 500 DNT berghutten aan. Dit is een netwerk waar Noren met recht trots op kunnen zijn. Van full service berghutten het hele jaar open tot 'self service cabins' waar je zelf de deur opent en alles achterlaat zoals je het aantrof. Voor het doorkruisen van de Hardangervidda diende ik vijf van deze berghutten op voorhand te boeken. Buiten coronatijd kunnen wandelaars altijd wel op een matras rekenen, nu zijn in de bergen ook voorzorgsmaatregelen getroffen. De Noren blijven er in het algemeen stoïcijns onder en in Oslo lijkt weinig aan de hand. Men volgt braaf de aanwijzingen van de overheid op. Enige onrust ontstond alleen toen 40% van de Noren met privé-hut te kennen werd gegeven met de paasvakantie - een traditie – deze niet te bezoeken. In de afgelegen gebieden is tenslotte weinig intensive care capaciteit. Deze klassenstrijd deed wat stof opwaaien en het raakte de bevoorrechte Noren in hun grondrecht geen gebruik te kunnen maken van steeds luxueuzer worden privé hutten bij de Fjorden of in de bergen.
De trein houdt halt bij het stadje Voss, een uitvalsbasis voor buitensport fanaten. De nodige Nederlanders, Duitsers en Denen lijken aan kentekens te zien ook met de ferry de overtocht te hebben gemaakt en rijden een rondje Noorwegen. Een aanzienlijk deel van deze route gaat ondergronds, of beter gezegd door bergtunnels en onder fjorden door. Niet zelden stuit je na kilometers ondergronds op een verlichte rotonde wat nogal science fiction achtig aandoet. Het is een hele klus alle uithoeken van Noorwegen goed met elkaar te verbinden, mogelijk gemaakt door tolgelden en de olie -en gasbaten. Het stadje Kinsarvik is startpunt voor de tocht door het plateau van de Hardangervidda. Met circa 50 bij 50 kilometer een van Europa’s grootste hoogvlakten. Tot 10.000 jaar geleden volledig bedekt door een enorme gletsjer die met het smelten rotsblokken ter grootte van halve huizen mee naar beneden bracht. Nog altijd komt er veel smeltwater van boven wat in geheel Noorwegen in waterkracht centrales tot stroom wordt omgezet, simpelweg door de energie van het vallende water te benutten. Om die reden in veel dalen ook kleine nijverheid en industrie om gebruik te maken van goedkope energie. Langs een van de waterkracht centrales gaat de weg door naaldwoud al snel omhoog naar de rand van het plateau. Het is overal nat en glibberig, met en zonder bepakking klauteren wandelaars zich over de stenen een weg omhoog, of weer omlaag. De routes in het gebied zijn gemarkeerd, het is in feite een soort speurtocht naar de rode T op een stapeltje stenen.
In de winter ligt er overal een dik pak sneeuw en worden er blauwe vlaggen als markering gebruikt. De route kan dan alleen langlaufend afgelegd worden. Op een rotsachtig stuk in dikke mist raak ik – evenals een handvol anderen - het spoor kwijt om het na een omweg van een halfuur weer terug te vinden. Op de rand en aan het begin van het plateau nog altijd dikke mist, modderpoelen en de eerste sneeuwvelden doemen op. De dag wandelaars zijn verdwenen en uren kom ik niemand tegen. Aan het eind van de middag enkel een ouder Noors koppel die ik de komende dagen nog vaker zal tegenkomen. Redelijk afgedraaid doemen na 20 km voornamelijk klimmen een paar hutten op. Brandhout en gastanks zijn de enige energievoorziening hier. Volgens de Noorse wet dienen er, wegens brandgevaar, voor verblijfplaatsen altijd twee losse hutten nabij elkaar te staan. De kachels houden het wel lekker warm, in een speciale droogkamer wordt schoeisel en kleding gedroogd. Net als de toiletten – waar alles in een groot gat verdwijnt – houd je het hier niet langer dan een minuut uit. De penetrante ammoniak lucht is onhoudbaar en kan alleen verzacht worden door ventilatie en zaagsel. De warme douche waar ik op gehoopt had is niet meer dan een emmer water. Binnen is het een gezellige boel en onder het genot van een vettige roomsoep en glas cider raak in aan de praat met een jong Nederlands koppel waarvan de jongen warempel bij een bioplastic bedrijf werkt. Genoeg gespreksstof en ze vertellen hoe ze met de camper door Noorwegen reizen. Tevens verblijft hier semi-permanent een schapen herdersfamilie die de schapen in de zomer in het gebied laten grazen, een eeuwenoude traditie en het vlees is erg gewild op markten in de valleien.
Een beetje stram gaat het de volgende dag door naar Torehytten. Het wordt een barre tocht door mist, regen, kou en veel sneeuwvelden. Enkele keren vliegt een helikopter over, later blijkt om gevallen wandelaars op te pikken. Er is niet of nauwelijks mobiel bereik. In een groepje is er hulp, solo kan het daarentegen riskant zijn. Op zijn best word je, uitgevallen, binnen enkele uren naast het pad aangetroffen. Beland je in een ijskoud riviertje of meertje zijn je kansen aanzienlijk kleiner. Het hutje is prachtig gesitueerd naast een meer. Na dik 20 km ploeteren ben ik bekaf en rust een paar uur uit. Luieren is er bij de kleine hutjes echter niet bij, iedereen wordt geacht een steentje bij te dragen en water te halen, schoon te maken of het vuur aan de praat te houden. Een paar keer per jaar worden deze hutten per sneeuwscooter of helikopter bevoorraad met stookhout en proviand. Dit laatste bestaat voornamelijk uit blikken bonen, vis en andere calorierijke goedjes. Meer wandelaars druppelen binnen en van het Noorse echtpaar krijg ik nog een uitbrander omdat de emmers lauwwarm water die ik over me heen giet tot een kleine lekkage in de keuken leiden. Het hutten systeem werkt op basis van vertrouwen. Geconsumeerd proviand reken je bij thuiskomst af, er wordt geen geld aangenomen en er is geen mobiel bereik. Iedereen dient de volgende ochtend zijn kamer schoon te maken en nog een ander klusje te doen. De kantjes ervan aflopen is er niet bij. Een pretje is dit ritueel niet als je iedere nacht ergens anders slaapt, anderzijds weet dat je niet hebt ingetekend voor een all-inclusive.
Het vooruitzicht van een bediende hut voor de volgende etappe is daarom geen straf. Het landschap blijft monotoon, rotsachtige paden omhoog en omlaag. Het ontbreken van duidelijke herkenningspunten maakt navigeren niet makkelijk. Enkele delen van de verder redelijk duidelijke route zijn niet of nauwelijks bewegwijzerd. Kaart en kompas bieden enig soelaas. De sneeuwpassages ben ik liever kwijt dan rijk. Ondanks dat de meters sneeuw hard en compact zijn voelt het alsof je ieder moment opgeslokt kan worden door een grote witte massa. Forse ijsspleten geven een onheilspellende aanblik. Hier is het ijs kennelijk weggesmolten of onder zijn eigen gewicht bezweken. Vaak stroomt onder de metersdikke sneeuwlaag een smeltwater stroompje.
Content ben ik bij ‘berghotel’ Litlos te arriveren, een verzameling hutten die door een flinke dieselgenerator aan de praat worden gehouden. Het is een knooppunt in het gebied en geliefd onder vissers die er op zoek gaan naar forel in een van de honderden meertjes nabij. Honderden jaren geleden lieten reizigers visjes achter om de jaren erna verzekerd te zijn van voedsel. Nu trekken vissers kamperend door het gebied, off road en dus niet zonder gevaar. Met twee ervan raak ik bij het avondmaal aan de praat, vanwege het slechte weer besloten ze naar de hut te gaan. We krijgen zowaar een driegangenmenu voorgeschoteld met onbeperkt verse vis, weggespoeld met bier of cider. Na een warme douche kom ik weer op krachten en de volgende dag voel ik me sterk. De conditie is na enkele dagen goed en na een bepaald ritme gevonden te hebben kan ik uren achtereen verder. Het is relatief de makkelijkste etappe en kom ondanks enkele lastige passages fit bij de hut aan. Wederom een ‘iedereen helpt mee’ hut maar het onthaal is erg warm door een jong koppel uit Oslo die dit net een paar dagen als vrijwilligers doen. Iedereen helpt met eten bereiden en kom verschillende wandelaars van onderweg tegen. Van afstand hadden ze me al als niet Noor aangemerkt. Je trekt in zo’n onherbergzaam gebied makkelijk naar elkaar toe en raak met meer mensen aan de praat dan bij wijze van spreken op een festival met duizenden mensen.
Na de hele vloer gedweild te hebben is het tijd voor de vijfde en tevens slotetappe. Het beloofde mooie weer blijft uit en ben er onderhand een beetje klaar mee. Drijfnat haal ik na 1.5 uur een koppel in dat een halfuur eerder was vertrokken. Houd een goed tempo aan en weet dat na 23 km een warme douche en buffet wachtten. De zon breekt door en na eindeloos afdalen doemen de eerste dagwandelaars op. Zonder kleerscheuren kom ik daarna weer in de bewoonde wereld aan.
Recent Posts









