Kilimanjaro (Rongai route)
Het is begin middag als we aankomen bij ons kamp aan de voet van de spitse en hoge Mawenzi top (5.100m). Bijna net zo hoog als Kilimanjaro zelf is deze top vrijwel onbereikbaar en op ieder aspect verschillend dan de grote broer 10 km verderop; spits, small en zonder sneeuw/gletsjers. Het is een prachtige plek om het tentenkamp op te slaan, er is een klein lokaal stroompje water en de plek ligt ietwat beschut tegen de koude wind. Het is dag drie en de groep van 15 personen is nog compleet. Vooraf bij de briefing was ik niet dolenthousiast; het leek een stuk minder spontaan en vrijer dan de Mount Meru beklimming een paar dagen ervoor. Veel commerciëler en gestructureerd. Daarbij blijkt al snel dat ik de enige ‘non native speaker’ in de groep ben die verder bestaat uit een Amerikaans gezin van zes, een Amerikaans koppel, twee Engelse koppels en drie solo reizigers waaronder ik. Grotendeels avontuurlijk ingestelde toeristen meer dan pure sporters of bergbeklimmers. Al zou later blijken dat vrijwel iedereen zich vrij goed heeft voorbereid en heeft getraind voor zover dat mogelijk is. Tijdens de briefing wordt grofweg de route doorgenomen, de kleding en materialen besproken en afgerekend voor de geleende slaapzak en kledingstukken. Voordat er nog maar één stap is gezet krijgen we een brief onder onze neus die aangeeft wat de gebruikelijke fooi is na voltooiing van de trip.
Op zondagochtend pakken we de bus die ons twee uur later afzet bij de poort naar de Rongai route die begint aan de noordelijke grens met Kenia. Van de vier grote routes is deze op de Marangu route na iets korter en lichter dan de overige. Het succespercentage voor het bereiken van de top ligt hier op 80% waar bij andere routes 60-70% behaald wordt. De routes nemen allemaal 6-8 dagen in beslag; hoe langer iemand op de berg verblijft hoe hoger de kansen op goede acclimatisering. Of iemand de top bereikt hangt af van vele factoren waarbij de meest belangrijke zijn: algehele conditie, kleding /materiaal en invloed van hoogteziekte. Deze drie factoren staan enigszins met elkaar in verband waarbij de eerste twee heel goed individueel beïnvloedbaar zijn. Of en in welke mate iemand van hoogteziekte last krijgt is op voorhand lastig te voorspellen, zeker wanneer bepaalde hoogtes niet eerder gehaald zijn. Een goede conditie zal ongetwijfeld helpen alsmede gewenning aan grotere hoogtes waar bijvoorbeeld veel Zwitsers in het voordeel zijn. Dan zijn er medicamenten (diamox) en materiaal zoals zuurstofflessen die het succespercentage in je voordeel kunnen beslissen.
We zijn de tocht begonnen op een hoogte van bijna 2.000 meter en trekken door verschillende vegetatieve zones; naaldwoud, tropisch regenwoud en open vlakten. Bewust wordt een rustig tempo (pole pole) aangehouden om stap voor stap te wennen aan de hoogte. Eind middag komen we telkens aan bij het tentenkamp wat dan wonderwel al helemaal is opgezet door de dragers. Naast de groep van 15 personen is er een crew van 58 dragers en helpers die bagage, eten en tenten mee naar boven sjouwt. Wonderwel, omdat men dit doet in een voor ons angstaanjagend tempo waarbij 10-15 kg op het hoofd wordt gedragen. Na aankomst duiken we onze tent in en krijgen een teiltje heet water toebedeeld om het stof van onze gezichten te wassen. Niet lang hierna wacht het diner, geserveerd in een grot emess tent.
Doorgaans is dit het meest gezellige deel van de dag. We leren elkaar beter kennen en de gezamenlijke missie creëert een band. Niet geheel onbelangrijk is het eten - gezien de omstandigheden - uitmuntend te noemen. Ondanks de camping presentatie is het vers, gezond en smaakvol. Veel groenten en fruit en zelfs de vegetariër en glutenvrije klant in onze groep wordt bediend. We nemen aan dat alles wat overblijft door de crew later zelf wordt opgegeten.
Typisch houden de meesten het na een uur of 19.00 voor gezien en duiken weer de tent in. Echter niet voor een laatste bezoek aan de opgezette toilet tent en een blik op de ongelofelijke pikzwarte Afrikaanse hemel vol sterren en hemellichamen. Idealiter slapen we iets lager dan het hoogste punt wat we die dag bereikt hebben, bijvoorbeeld door een aanvullende ‘acclimatisatie walk’. Naarmate we in hoogte stijgen worden de nachten kouder, je moet je echt goed inpakken wil je het een beetje aangenaam houden. Echt lekker wordt er nauwelijks geslapen; met de harde ondergrond en nachtelijke toiletbezoekjes als voornaamste reden. Het vooruitzicht om ’s nachts te tent uit te moeten wordt Darren – op huwelijksreis met Robyn – en mijzelf te gortig en al snel wordt breeduit gelachen om onze ‘plasflessen’ oplossing. Camperen heeft toch wel iets bijzonders en de frisse lucht, stilte en vroege slaap zorgen ervoor dat de meesten redelijk fit weer kunnen opstaan. Ongetwijfeld geholpen door een warm kopje thee naar de tent gebracht om 6 uur ’s ochtends. Gevolgd door een teiltje heet water en al snel kan er aan het ontbijt weer gelachen en gegeten worden. We pakken onze spullen in, nemen onze dagrugzak mee en zijn vaak rond een uur of 8.30 vertrokken. We lopen een uur of 6-7 met veel stopjes tussendoor om met name genoeg water te blijven drinken. Op de meeste dagen heeft de zon vrij spel en veel water helpt ook tegen de hoogteziekte. Bij ieder kamp heeft het water een eigen smaakje, lokaal wordt het opgevangen, gekookt en gefilterd.
Het Mawenzi kamp waar we zijn aangekomen ligt op 4.300 meter hoogte, de meesten ondervinden nog niet echt problemen. Meru was 4.500 meter en voel me dan ook nog steeds prima. ‘s avonds aan tafel weten we allemaal dat wat komen gaat heel zwaar zal worden mede omdat twee dagen samenkomen in één hele grote. Het voelt dan ook een beetje als een ‘last supper’. De zon voorziet ons in de ochtend van de welkome warmte en we zetten koers richting Kibo; basiskamp voor de finale beklimming van Kilimanjaro. Het is een uur of vijf lopen waar we zo’n 400 hoogtemeters overbruggen en worden getrakteerd op een nieuwe omgeving: ‘alpine desert’. Een schrale, open vlakte waar weinig groeit en de wind vrij spel heeft. Het stuk staat ook wel bekend als de ‘saddle area’ tussen de Mawenzi en Kibo toppen, een vlak tussenliggend ‘zadel’ gebied waar we onze eindbestemming constant in het vizier hebben. Op het midden van de route glinstert iets naast het pad en als we dichterbij komen blijken het de wrakstukken te zijn van een klein vliegtuigje, neergestort in 2008 tijdens noodweer. Alle inzittenden zijn omgekomen, de wrakstukken zijn nooit opgeruimd. Het voelt een beetje als de witte karkassen die je op safari in de savannah tegenkomt; stille slachtoffers van een meedogenloze omgeving.
Naarmate we het laatste uur langzaam naar 4.700 meter klimmen raak ik ietwat verzwakt en merk voor het eerst de ijle lucht. De zon neemt ons genadeloos te pakken, gelukkig weten we dat op deze hoogte we ons zoveel mogelijk moeten beschermen en insmeren. Letterlijk vijf minuten voor aankomst wordt er iemand in allerijl op een stretcher met wiel naar beneden gereden, geen goede timing en nogmaals een teken voor de zware nacht die zou volgen. De groep van 15 is de voorgaande dagen wel vaker in twee of drie stukken opgebroken, vandaag loopt het verschil op naar zo’n 25 minuten.
Het idee is dat we diezelfde avond nog een poging wagen voor de laatste beklimming naar de top! 1.200 hoogtemeters in 7 uur, de afdaling, brunch en dan nog een afdaling van drie uur. Het lijkt haast gekkenwerk en dat is het misschien ook wel. Reden voor de nachtelijke beklimming is tweeledig; het kunnen meemaken van de zonsopgang op de top en het niet kunnen zien van de eindeloze weg naar de top. Met name dit laatste is mentaal gezien begrijpelijk, al bootsen groepjes met hoofdlampjes voor ons dit effect enigszins na. Daarbij moet ik toegeven dat een dergelijk lange beklimming in volle zon ook niet echt wenselijk is.
We werken de noodzakelijke vitaminen en koolhydraten naar binnen waarna een redelijk dramatische ‘summit briefing’ volgt. Symptomen die niet tot onmiddellijke opgave zouden moeten leiden zijn onder meer overgeven tot driemaal toe, hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid. Ben je niet meer aanspreekbaar, slaat wartaal uit of valt flauw word je onmiddellijk van de berg gehaald. De gezichten van enkele dames betrekken en we zijn in ieder geval goed gewaarschuwd. Echt lekker drie uurtjes slaap pakken doet daarna niemand. Om 23.00 (!) uur worden we gewekt waarna we ons als Michelin mannetjes aankleden; drie lagen op de benen, twee paar sokken, twee soort mutsen, dikke handschoenen en 4-6 bovenlagen. Onderop idealiter thermo kleding omdat katoen bij zweten in deze lage temperaturen genadeloos kan zijn. Verraderlijk hierbij is dat te weinig lagen bij kou erna nog aanvullen lastig werkt en bij de afdaling in de zon lagen uitgedaan moeten worden. We werken in de tent nog wat snacks naar binnen en gelukkig kunnen er nog wel wat grappen gemaakt worden. Voordat een groep van 15 eenmaal klaar is duurt even, zeker als de Amerikaanse familie, die alles tot in de puntjes heeft voorbereid nog moet worden voorzien van zuurstofmaskers en flessen. Vermoedelijk geven deze systemen zo’n 20% meer kans op bereiken van de top. Als je bedenkt dat er op de top 50% minder zuurstof in de lucht zit vergeleken met zeeniveau kan dit nog wel eens het verschil maken.
Om 00.30 zijn we dan eindelijk vertrokken, in een lange rij met een snelheid van zo’n 2 km/u. Voor ons zijn via de hoofdlampjes verschillende groepjes te zien die eerder zijn vertrokken. Er is nog geen uur verstreken of we zien de eerste ongelukkigen al naar beneden komen, op eigen kracht samen met een helper maar vermoedelijk oververmoeid of teveel last van hoogteziekte. We zigzaggen de berg op in een lange rij op een smal pad. Het voelt een beetje als een wielerpeloton in de koninginnenrit. Als snel ontstaan de eerste scheuren in het peloton en zit je achterop loop je achter de feiten aan. We stoppen om het half uur kort om even wat te drinken. Je wilt in beweging blijven omdat met name je tenen op punt van bevriezen staan. Het is vreselijk koud op de berg.
Ik voel me goed en het tempo mag wat mij betreft nog wel wat opgevoerd worden. Al weet ik van Meru dat dit verraderlijk is, op deze hoogte kan dit als een boemerang terugkomen. Ook begeef ik me op onbekend terrein uit de comfortzone; ben niet eerder op deze hoogte geweest en elke stap probeer je naar het lichaam te luisteren voor signalen. Misschien voelt het als een duiker die niet eerder op deze diepte is geweest. Mijn eerste fles water heb ik misschien iets te snel op, wanneer ik na twee uur de tweede uit de tas pak blijkt deze vrijwel geheel bevroren. De meesten hebben ten minste een fles zoals aanbevolen omgekeerd geplaatst zodat het drink einde als laatste bevriest. Omdat acht helpers de tassen van degenen die een zuurstof systeem omhebben dragen is er vermoedelijk minder capaciteit om extra water mee te nemen.
Op een hoogte van 5.200 meter begin ik in de problemen te komen. De hartslag stijgt snel naar zo’n 140 slagen. Met neus en mond moet ik steeds de maximale hoeveelheid zuurstof uit de lucht trekken. Daarbij zet een kloppende hoofdpijn op en raak ik licht duizelig. De hoofdpijn houdt aan en ik werk bij de pauze een paracetamol naar binnen. Inname van suikers laten je kortstondig iets beter voelen. Het is nu een kwestie van overleven en hopen dat de top op een of andere manier binnen bereik komt. Een paar keer bekruipt me de gedachte dat ik het niet ga redden. De maag voelt niet helemaal florissant en al snel moet ik ergens een grote boodschap achterlaten – uitgerekend nu en het kost me het grootste deel van de vijf minuten durende pauze. Wel zit ik nog in de kopgroep met drie leden van de Amerikaanse familie voorzien van extra zuursttof, Katie uit Londen en Matt uit Texas. Er volgen lastige, steile rotsachtige stukken en gruis waar je steeds iets terug naar beneden zakt. Dan horen we dat het nog zo’n uur naar Gilman’s Point is, een belangrijk tussenstation op 5.700 meter. Het is inmiddels 5.00 ’s ochtends. Bij de korte pauzes valt iedereen neer op de grond om uit te rusten. Er wordt al lang nauwelijks meer gesproken. De helpers proberen ons van tijd tot tijd moed in te praten. Ik bungel al langer achteraan het groepje met nog één helper achter me. Ik moet vaak even stoppen om naar adem te happen, het gaatje wat ontstaat is maximaal een paar meter groot. Met name Katie lijkt het meest fris en kan nog redelijk normaal praten. Dan zien en voelen we dat Gilmans Point niet ver meer is en ook verschijnt er een klein straaltje licht aan de horizon. Ook al is het vreselijk koud en winderig op deze uitstekende rots, Gilmans Point is een mentale overwinning. Iedereen weet dat dan nog ‘slechts’ 200 hoogtemeters overbrugd moeten worden. We stoppen 10 minuten voor snacks en warme thee die de helpers hadden meegenomen.
De zon komt langzaam op en onze lichtjes kunnen zowaar uit. Wat een oppepper, de zon geeft ons nieuwe noodzakelijke energie. Het uitzicht is machtig, niet alleen de horizon maar ook de krater en gletsjers op de berg. Het is nog zo’n 1.5 uur lopen naar Uhuru Peak op een licht omhooggaand pad. Ik loop zowaar een tijdje voorop al merk ik snel genoeg dat ik diep in de reserves zit. We komen aan bij Stella Point waar we een andere route samen zien smelten. We zien enkele tientallen mensen omhoog strompelen en een aantal vallen elkaar huilend in de armen. Sommigen kunnen gewoon niet meer en staren wazig voor zich uit, vooruitgeduwd door een helper. Ook zien we de eerste mensen terugkomen van de top, althans dit is onmiskenbaar van het gezicht af te lezen. Het is inmiddels helemaal licht en de route naar Uhuru Peak is vrij goed zichtbaar. Ons groepje passeert de meeste andere mensen onderweg al loop ik het laatste stuk achteraan, af en toe stoppend. De van grote afstand op plukjes sneeuw lijkende gletsjers blijken 20 meter hoge ijsbonken die niets dan ontzag oproepen.
We weten nu allemaal dat de top binnen handbereik is. Nog even volhouden. Het bekende bord, de finish, doemt in de verte op. We geven elkaar een high-five en vallen neer. Niet voor heel lang want het is dringen geblazen om in de rij aan te sluiten voor een foto bij het bord. We nemen de tijd voor wat eten en hebben nog een klein beetje water over. Het wordt zowaar wat warmer met de volle ochtendzon in ons gezicht. Opgelucht, leeg, maar ook verward is het overheersende gevoel. We besluiten rechtsomkeert te maken en de berg af te dalen, een proces wat normaal zeker twee keer zo snel gaat als de beklimming. Dan druppelen opeens als losse plukjes enkelen van onze groep binnen! Niet in de volgorde die ik op voorhand had verwacht. Er is gejuich en besproken wordt hoe het enkele anderen vergaan is. Snel wordt duidelijk dat sommigen al na een paar uur terug naar het kamp zijn gebracht. We lopen rap door, nu het doel is volbracht snakken we naar een moment van ontspanning. Krijg het al snel warm en heb nog altijd een erg hoge hartslag. Terug bij Gilmans Point laat ik het groepje even vooruitgaan en drink en eet nog wat. Voel me dan iets beter. Na enkele rotspartijen heb je opeens een compleet beeld van de volledige beklimming en het basiskamp aan de voet van de berg. Dit stuk van bijna 1.000 hoogtemeters hebben we grotendeels zigzaggend door gruis en stenen beklommen. Recht naar beneden lijkt bij het afdalen echter haalbaar. Na een korte stop stuif ik naar beneden om met de laatste krachten snel bij het kamp te komen. Glijdend en springend door het gruis, enkele stenen ontwijkend, ben ik in 25 minuten beneden. Compleet uitgeput en bezweet kom ik bij de tent aan met als eerste gedachte ‘dit doe ik echt nooit meer’.
Na wat te hebben uitgerust komen de anderen van het groepje binnen. Iedereen pakt rust in de tent, echt slapen komt er niet van, het is 9 uur in de ochtend en de zon schijnt vol de tent binnen. In de afgelopen vijf dagen is er een fijn groepsgevoel ontstaan, iedereen helpt en respecteert elkaar. Bij de brunch worden ieders belevenissen uitgewisseld en al snel is duidelijk dat het een ware uitputtingsslag is geworden. Vier van de 15 hebben het niet gered. Iedereen lijkt opgelucht en de meesten blij dat de top bereikt is. Met name de Amerikanen vinden het geweldig dat ‘Walter’ van de berg af sprintte en alleen een stofwolk achterliet. Na de maaltijd pakken we onze spullen in en maken ons op voor een afdaling van drie uur naar 3.700 meter. Eenmaal opgewarmd raken we niet uitgesproken met elkaar, alvast smullend van de gedachte dat morgen een douche en echt bed te wachten staan. Vlotjes komen we bij het natte kamp aan, midden in een mistige nevel. Uitgeput maar ook trots pakken we een goede nacht van slaap. De avond ervoor hadden we al besproken allemaal 150 dollar p.p. in te leggen als fooi voor de 50+ helpers om te verdelen. In de ochtend wordt dit tijdens de ‘closing ceremony’ aan hen gepresenteerd. De groep dankt ons middels zang en dans. Sommigen van ons zijn enorm veel dank verschuldigd aan enkele helpers en geven dan ook nog kledingstukken.
Er wacht die ochtend nog een forse afdaling van dik vijf uur een iedereen bijt door de pijntjes heen. Weer wordt onophoudelijk gesproken over de meest uiteenlopende onderwerpen van Amerikaanse politiek tot werk en andere reizen. We doorkruisen de wolken en tropisch regenwoud om uiteindelijk terug bij de poort te komen. Leeg en verward. We laten ons door enkele formaliteiten heen loodsen om de bus terug naar het hotel te nemen. De douche, het terras en verse salade voelen paradijselijk aan. Na een paar uur vinden de meesten elkaar met een biertje op het terras en de sfeer is compleet uitgelaten. Urenlang wordt er gelachen en komt er nog een verrassend grote hoeveelheid energie los.
Recent Posts









