Ecuador en de Galapagos eilanden

Spaghettibenen. Een maag die zich omdraait. Ik was vergeten hoe het was om op zee te verblijven. Ooit was ik het op een klein bootje voor de wateren van Zuid-Afrikaeven helemaal kwijt. Nu varen we rond op de Galapagos eilanden. Een groepje jonge vulkanische eilanden ver verwijderd van ieder eiland of vasteland, vergelijkbaar met Hawaii. Het is een sterk merk dat staat voor avontuur alsmede unieke flora en fauna. Maar ook voor de evolutietheorie en de naam Darwin die voor eeuwig aan de eilandengroep verbonden zal blijven. Het zijn voornamelijk Amerikaanse en Britse toeristen die hier neerstrijken. Op een bevolking van slechts 30.000 inwoners bezoeken ieder jaar een kwart miljoen buitenlandse toeristen de archipel. Ecuador is al opvallend prijzig maar voor de Galapagos eilanden moet men flink in de buidel tasten. Er gaat alleen al honderd dollar per inkomende reiziger naar bescherming van het nationale park (wat de hele archipel omvat). En dat is hard nodig. Enkele inheemse dieren en planten zijn reeds uitgestorven. Voornamelijk door toedoen van mens en dier (honden, katten, geiten, varkens) alsmede ongenode gasten (ratten en muizen) die op de schepen meereisden en een ware ravage aanrichtten. Voor bezoekers uit koudere oorden is de zon de grootste vijand. Op de evenaar, relatief dichterbij de zon en op het water moet je oppassen niet levend te verbranden.
We liggen al even in het water te snorkelen, op zoek naar zeekomkommers, zeeschildpadden, pinguïns, zeeleeuwen, zeesterren en scholen vis. Er staat een sterke stroming in de ondergelopen ‘caldera’ (ingestorte krater) en terwijl we de rotsachtige kust afstruinen zijn we waakzaam voor de golfslag. Van een meter of dertig worden we constant gadegeslagen door twee rubberbootjes met bemanning. Vandaag ben ik wat verder gezwommen dan de rest en begin het inmiddels koud te krijgen. Dan draai ik me om en lig recht tegenover een haai. Dit exemplaar is groter dan de babyhaaitjes van een meter en de witpunthaaien van anderhalve meter die we de voorbije dagen hadden gezien. Nieuwsgierig neemt hij of zij polshoogte welke indringer er zich in haar territorium bevindt. Het is een Galapagoshaai die maximaal drie meter lang worden en deze is minstens zo lang als ik. Toch schrik ik niet en een paar seconden zijn onze blikken gekruist. Dan kijk ik boven water waar de rest is. Terug onder water is de haai verdwenen. Ik ben alleen en nu zit de schrik er wel even in. Deze jongen stond niet op het menu voor vandaag en kan ieder moment uit mijn rug opduiken. Tegelijkertijd besef ik me dat ze ons niet zomaar onderdompelen met gevaarlijke haaien. In de buurt wordt naar de veel grotere walvishaai en hamerhaai gedoken. Veruit de meeste haaien zijn volkomen ongevaarlijk voor ons, wij zijn niet hun natuurlijke prooien. Sterker nog, ieder jaar worden er honderdduizenden afgeslacht voor haaievinnensoep. Net als de jacht op zeeschildpadden (waarvan een zogenaamde heilzame werking uit zou gaan) is dit (op veel plekken) ten strengste verboden. Het (korte) moment met de haai zal me bijblijven. Wat een machtig beest.
Terug op de boot ontvouwt zich het vaste ritueel van een warme douche en zonnebaden boven op het dek. Vogels die steevast op de windstroom meeliften en hopen op wat etenstestjes die overboord worden gegooid. Dagenlang zijn we ver verwijderd van iedere vorm van beschaving. Aan de ene kant de rotsachtige lavakusten met spaarzame begroeiing en parelwitte stranden. Aan de andere kant niks dan water. Geen rots voor duizenden kilometers tot aan Papoea Nieuw Guinea. Met deze gedachte ’s nachts naar de pikzwarte sterrenhemel turen is machtig en de volle maan gaf nog een beetje licht. Maar vannacht is het bewolkt en het is werkelijk pikzwart. Ik denk aan de solozeilers die in hun uppie de oceaan oversteken en bedenk ik dat ik dit nooit zou kunnen. Volgens mij heb je hier stalen zenuwen voor nodig. Zeker wanneer je zoals wij nu op of rond evenaar varen. In de ‘doldrums’ spookt het wellicht niet zo snel maar kan het wel dagenlang windstil zijn. Dan lig je als zeiljacht maar een beetje rond te dobberen. We mogen op de brug met de kapitein meekijken hoe de gps-apparatuur exact 0.00.000 graden aangeeft.
De sfeer aan boord is omgeslagen. Het was de eerste dag dolle pret en we waanden ons op een luxejacht met meer bemanning dan opvarenden. Het regent hier vrijwel nooit en de zon stond strak aan de hemel. Onder water hadden we al van alles moois voorbij zien komen en de stranden zijn tropisch. De meesten van mijn reisgenoten hadden net als ik een last minute geboekt en werden een comfortabele cruise voorgeschoteld van alle gemakken voorzien. Omwille van efficiency varen we ’s nachts zodat we in de ochtend in een nieuwe omgeving op pad kunnen. Maar het was een behoorlijk woelige eerste nacht en ’s ochtends wordt er aan tafel niet veel gesproken. Ik voel me de hele dag erg slecht en overweeg die middag sterk de trip af te breken en in het laatste dorpje aan land te blijven. Alleen al de gedachte terug aan boord te gaan doet mijn maag omdraaien. We zitten nog een week letterlijk met elkaar opgescheept en ik kan me moeilijk voorstellen hoe dit schip van ruim dertig meter een beetje stabiel in het water blijft liggen. De wateren zijn dit seizoen weliswaar wat onstuimiger dan de rest van het jaar maar kennelijk went het want voor de bemanning is het een dag als ieder ander. In tegenstelling tot de meeste cruiseschepen heeft dit jacht cabines voor solo reizigers zodat geen extra toeslag betaald wordt voor de gangbare duo kamers. Aan boord zijn een oudere Brit en ik de enige solo reizigers. Waar de rest avontuurlijke twintigers, dertigers en veertigers zijn komt deze man de eerste bloedhete dag in driedelig pak aanzetten. Het is net alsof hij uit een Mr. Bean aflevering is komen overwaaien. Hij valt wat uit de toon ook omdat hij niet meegaat met de dagelijkse snorkeltripjes. Maar hij is bereisd, vind zijn draai en kan aardig vertellen. Afgezien van een Zwitsers koppel en ikzelf zijn het allemaal Britten. De beleefdheid is prettig maar ik irriteer me dat er nooit kritische vragen worden gesteld en alles voor zoete koek wordt aangenomen.
Onze Ecuadoriaanse gids heeft dit duidelijk al honderden keren gedaan, het komt wat sleets over. Toch raken we onder de indruk van zijn uitgebreide kennis over het ontstaan van de eilanden en de aanwezige flora en fauna. Omdat er op de eilanden geen bijen zijn vindt bestuiving volledig plaats door de wind. Uiteindelijk nestelen ‘pioniers’ planten zoals cactussen en zoutwaterplantjes zich in het lava gesteente of langs de stranden. Vervolgens kan het snel gaan. Het gros van de ontwikkeling van zowel flora als fauna heeft ‘pas’ de afgelopen 50.000 jaar plaatsgevonden. Darwin publiceerde zijn magnum opus ruim 25 jaar na de jarenlange reis met de Beagle. Een reis waarbij hij overigens meer tijd aan land dan op zee doorbracht. Aan boord had hij vaak last van hevige zeeziekte. Alhoewel hij de kern van zijn evolutietheorie al veel eerder dan ‘On the Origin of Species’ formuleerde waren zijn ideeën erg revolutionair voor die tijd. De vinken die van de verschillende Galapagos eilanden werden meegenomen zijn omgedoopt tot ‘Darwin Vinken’ maar zonder de aantekeningen van de kapitein was dit nooit gebeurd. Darwin merkte de verschillen in eerste instantie niet op. Pas in een veel later stadium werd aan de hand van het logboek van de kapitein gezien dat de meegenomen vinken per eiland verschilden. Ze hadden zich in de ‘niche’ van de Galapagos eilanden afzonderlijk ontwikkeld. De grootte van de snavel verschilde bijvoorbeeld per eiland, afhankelijk van de daar aanwezige noten en zaden. En zo werd de theorie verder onderbouwd.
Over vogels gesproken is de ‘Blue Footed Booby’ zonder meer een van de meer kleurrijke bewoners. Deze Blauwvoetgent komt maar in een beperkt gedeelte op de wereld voor. Ook deze vogel is erg tam omdat het niet of nauwelijks geëvolueerd is met vijanden op land. Het is net als de reuzenschildpad een soort van mascotte voor de Galapgos geworden. Ze doen me denken aan de Puffins (Papegaaiduikers) op IJsland. Evolutionair lijken de blauwe voeten compleet nutteloos maar schijn bedriegt. Ze spelen een belangrijke rol in de partnerkeuze. De blauwe kleur is afkomstig van pigmenten die ze binnenkrijgen door het eten van vis. De vogels maken vanaf tientallen meters een duikvlucht tot 25 meter diep onder water. De pigmenten uit hun voeding fungeren als antioxidanten en zijn bevorderlijk voor de immuun functie. Op het strand treffen we soms nog meer aparte vogels aan; Amerikaanse zeventig plussers in snorkelpak. Het ziet er wat potsierlijk uit en gaat allemaal wat stroef. Mooi dat ze dit nog doen en we wisselen cruise ervaringen uit.
Vanwege de ligging zijn er maar weinig trekvogels te vinden op de eilanden. Desondanks kunnen veel vogels de afstand overbruggen en sommigen blijven voor altijd. Maar hoe zijn flamingo’s, pinguïns en leguanen hier ooit terecht gekomen? Niemand die het zeker weet, het blijft speculeren. Aannemelijk is dat leguanen op drijfhout zijn aangespoeld en zich tot de enige zeeleguanen ter wereld ontwikkeld hebben. Deze kleine draakachtige reptielen kennen op land geen natuurlijke vijanden en je zou ze zo aan hun staart kunnen optillen. Als koudbloedigen warmen ze zich gezamenlijk op in de zon. In tegenstelling tot hun broers op het land doen ze zich (eenmaal opgewarmd) in het water - als strikte vegetariërs – tegoed aan algen. Een voorbeeld hoe deze draakjes zich hebben aangepast aan leven onder water zijn hun nieren. Het water rondom Galapagos is zouter dan op veel andere plekken en de nieren van deze zeeleguanen filteren dit zout waarna ze eens in de zoveel tijd hun neus snuiten om dit kwijt te raken. Het is komisch om te zien hoe zeeleeuwen de draakjes soms achternazitten. Ook de zeeleeuwen kennen totaal geen angst voor de mens en komen aan wal een dutje te doen. In het water zijn ze speels en zelfs brutaal door om je heen te zwemmen en tot een paar centimeter te naderen. Helaas zijn ze ook gewild voor hun mooie en sterke vacht. De flamingo’s stammen af van de Chileense soort en ik wist niet dat hun roze vacht ontstaat door de roze schil van garnalen die ze eten. De Galapagos pinguïns zijn schattige beestjes en de enige pinguïns op het noordelijk halfrond. Een klier in hun lichaam produceert vet wat zich op de vleugels afzet waardoor het net wandelende oliemannetjes zijn. Onder water schieten ze met ruim 30 km/u razendsnel voorbij.
De reuzenschildpadden verdienen een nadere toelichting. Net als de ‘Darwin vinken’ stonden deze centraal in zijn these dat soorten zich geïsoleerd (bijv. op een eiland) apart ontwikkelen naar gelang omgevingsfactoren, prooien, natuurlijke vijanden en beschikbaar voedsel. Ze spreken tot de verbeelding onder meer vanwege de extreem hoge leeftijden die ze bereiken. Met het heengaan van ‘Lonesome George’ in 2012 (die nog door Darwin zou zijn meegenomen) stierf de Galapagos reuzenschildpad uit. Een exemplaar genaamd Harriet haalde een leeftijd van ongeveer 176 jaar en deze dieren konden bijna 200 kilo zwaar worden. Ondersoorten bleven bestaan en worden nu (vanwege uiterlijke verschillen) allemaal als aparte soorten reuzenschildpadden geclassificeerd. Toch had het niks gescheeld of er zouden helemaal geen reuzenschildpadden meer zijn. In feite vergelijkbaar met hoe de dodo op Mauritius aan zijn eind is gekomen. Schepen en met name de walvisvaart namen de schildpadden met tienduizenden per jaar aan boord mee en stapelden ze levend in het ruim ondersteboven op elkaar. Reden was heel simpel: de beesten konden tot een jaar zonder voedsel en zelfs water. De ouderdom wordt vaak verklaard door dit unieke metabolisme (alsmede het langzame bewegen). Het vlees was welkom voedsel op de lange tochten over de oceanen. Toen – voordat er elektriciteit was - ook ontdekt werd dat het vlees en de eieren veel olie bevatten, werden ze geslacht om de straten van Quito te verlichten. Alsof dat nog niet erg genoeg was richten honden, ratten en geiten een ware slachting op de eilanden aan door of de eieren op te eten of de schildpadden te beconcurreren voor voedsel. Met uitgekiende fokprogramma’s en het oprichten van een nationaal park werd de populatie weer beschermd en verder opgebouwd.
De Galapagos zeebenen houden enkele dagen aan maar gelukkig raak je die in Quito snel kwijt. Van zeeniveau naar de hoogste hoofdstad ter wereld (La Paz is weliswaar administratieve maar niet de wettelijke hoofdstad van Bolivia – dat is Sucre) op bijna 3.000 meter merk je rap genoeg. De ijle lucht, koelere temperatuur en bergen zijn 180 graden anders. De kleuren, smaken, muziek en geuren doen denken aan Peru of Noord-Argentinië. Alhoewel de uitlopers van de Andes tot in Colombia lopen is deze Andes cultuur daar veel minder aanwezig. De Inca’s legden een enorm wegennetwerk aan, dat over de kern van het Andes gebergte liep van Noord-Argentinië tot grofweg Quito. Daarom zijn steden als Cuzco en Quito meer verwant aan elkaar dan Guayaquil (grootste stad en haven van Ecuador) en Quito. Guayaquil heeft op zijn beurt weer veel meer gemeen met de enorme Peruaanse hoofdstad Lima waar veel over zee mee werd gehandeld. De ligging van Quito is redelijk uniek. Vanwege de hoogte maar ook omdat de stad tegen de evenaar aanleunt en direct omgeven wordt door 14 deels actieve vulkanen. De keerzijde is dat de stad met enige regelmaat getroffen wordt door aardbevingen en asregens. De temperaturen zijn het hele jaar door vrij gematigd wat Quito de bijnaam ‘stad van de eeuwige lente’ oplevert.
‘Welcome home’ krijg ik bij binnenkomst van het hotel in Quito te horen. Niets fijner dan een thuis weg van thuis. Alhoewel meer een marketing truc (hotels gaan ver voor goede beoordelingen) is dit een pareltje verborgen aan een vieze, drukke straat. Een oase van rust in koloniale stijl met een groot terras en stijlvolle ontbijtzaal. De wandeltour door het centrum vandaag is verassend goed. Met een klein clubje trekken we erop uit het oude, koloniale centrum (als eerste op de Unesco werelderfgoedlijst geplaatst) te verkennen dat na Havana de grootste was in Zuid-Amerika. Het waren voornamelijk Spaanse kolonisten uit Andalusië die het land hier inrichtten en bestuurden. Om die reden zie je een fusie van Spaanse, Moorse en inheemse elementen in de oude gebouwen en kerken. Het centrale plein (de grote markt) is geweldig en we proeven vers fruit en chocola. De cacao uit de kuststreek van Ecuador kan met recht de beste ter wereld genoemd worden. Deze is een stuk minder bitter dan de versie uit het Amazonegebied en Afrika. Een stukje chocola van 95% of zelfs 100% proeft daarom nog mild aan. Voeg er chili, zeezout, cacaonibs of koffie aan toe en je krijgt de lekkerste chocola die je ooit geproefd hebt.
Met twee jonge Britten en een Pool uit Gdansk genieten we van een simpele lunch aan de voet van de Chimborazo vulkaan. Alle vier met de ambitie deze uitgedoofde maar reusachtige vulkaan te bedwingen. Geen van ons zou die nacht ook maar in de buurt van de top komen. Met de twee jonge Britten paste ik even daarvoor de benodigde bergkleding in Riobamba. Met de afgedankte schoenen, jassen en truien moeten we die nacht goed geoutilleerd de berg op. Het wordt afgeraffeld, terwijl goede kleding het verschil maakt tussen een succesvolle toppoging of niet. De twee Britten hebben volgens mij geen besef wat ze zich op de hals halen. Het zijn sportieve jonge gasten, maar de Chimborazo is andere koek dan de Ben Nevis oplopen. Voor de derde - en laatste - keer die week rijd ik het nationale park in tot aan de voet van de beklimming op 5.000 meter. Vanaf uitvalsbasis Riobamba ruim twee uur maar de rit verveelt niet. Hoe dichterbij hoe meer ontzag de vulkaan oproept. De uitgestrekte lavavelden, de besneeuwde top en de rondlopende vicunas. Toen Von Humboldt de vulkaan als eerste Europeaan beklom dacht men dat dit de hoogste berg ter wereld was. Vanaf zeeniveau bleek dit later de Mt. Everest te zijn. Vanwege de ietwat eivormige aarde is dit vanaf de kern gemeten wel nog altijd de Chimborazo. Dit is dus het punt op aarde het dichtst bij de zon, ongeveer drie kilometer dichterbij dan Everest.
Alle vier hebben we redelijk wat geld neergeteld om met een gids feitelijk een dag -en nacht lange beklimming en afdaling te doen. Goede gidsen zijn dun gezaaid en dat geldt zeker voor degenen die ook een woordje Engels spreken. Dit is wel van belang op een technische beklimming waar je met touw aan elkaar bent vast gelijnd. Bij een val moet iemand zijn ijsbijl in de grond of sneeuw planten om verdere schade te voorkomen. De meeste berggidsen zijn freelancers en hebben (hier) soms een wat bedenkelijke reputatie. Weliswaar bekwaam in de bergen maar zonder al te veel moeite in hun klandizie te steken. Sommigen zouden hun klandizie onderweg zelfs willen afmatten om zo sneller thuis te zijn. Berggidsen kunnen nogal kortaf en zwart-wit zijn, in de bergen is immers behoefte aan veiligheid en dus duidelijkheid. Daar past niet al te veel nuance bij. Mijn gids lijkt er vandaag ook niet al te veel zin in te hebben en komt traag op gang. Eenmaal in het laatste hoge kamp aangekomen is hij vooral geïnteresseerd in zijn slaapplek en eten. Die nacht verschijnen er meer gidsen ten tonele en hier dwingen ze wel respect af. Zonder veel slaap zijn ze - met hun klant - in de weer met touwen, beugels, harnassen en stijgijzers. En dan staat er nog flinke tocht voor de boeg. De twee Britten beginnen van een lager kamp en zien we die nacht niet meer, ze zijn nog voor het hoge kamp omgedraaid. In de pikzwarte nacht zien we het licht van kleine stadjes tientallen kilometers verder. Boven ons de sterren, beneden en boven de berg de bewegende lichtjes van andere klimmers.
Samen met de Pool en zijn gids beginnen we onze ‘summit attack’ rond middernacht. Het is me een raadsel hoe deze zwijgzame Pool - die me een havenarbeider lijkt - zich op reis enigszins weet te handhaven. Hij spreekt werkelijk geen woord Engels of Spaans. Toch komt hij die nacht wel iets verder dan ik. Rond een uur of drie zie ik hem in de tent in zijn slaapzak neerploffen. Ik lig dan al uitgeteld op bed. Ik kwam weliswaar erg fris in het kamp aan maar was vergeten dat acclimatiseren ook inhoud op een lagere plek te slapen dan het hoogst behaalde punt die dag. Gedurende de nacht word ik steeds misselijker voorzien van kloppende hoofdpijn. Ik hoop op een wonder en wil nog wel een poging wagen. Met tegenzin werk ik enkele koekjes en koppen warme thee naar binnen. De gids helpt me in mijn harnas en met de stijgijzers. Ik wil nog enkele dingen zeggen maar kom niet op de juiste woorden. De gids knoopt de harnassen met touw aan elkaar en we zijn vertrokken. In perfectie condities, het is werkelijk windstil en onbewolkt. Een halfuur onderweg voel ik me niet zeker langs de steile afgronden die in het donker niet eens in volle omvang zichtbaar zijn. Op een gegeven moment is het genoeg en ik vertel de gids dat we omdraaien. Vijf minuten later ziet hij waarom als mijn maaginhoud zich op het pad omkeert. Bij het schitterende ochtendwaken zien we zes kleine stipjes boven op de gletsjer bewegen. Het zijn de enigen van ongeveer 30 klimmers die de top bereiken. De beloning moet een spectaculair uitzicht zijn. Op adrenaline moeten ze nog zo’n vier uur afdalen.
Cotopaxi is de kleinere broer van Chimborazo. Geroemd als de perfecte symmetrische vulkaan en minstens zo befaamd. De Cotopaxi beklimmen staat gelijk aan dansen op de vulkaan. Het is een van de meest actieve vulkanen ter wereld. Ook de afgelopen weken liet de vulkaan van zich horen en borrelde rook en as uit. Een beklimming naar de top is verboden en onverstandig. Het omgelegen vulkaanveld (een nationaal park) doet Maan-achtig aan met steengruis en grote steenblokken. Op sommige plekken zijn tientallen lagen over elkaar te zien. Net als de groeiringen van een boom staan deze voor iedere uitbarsting die is geweest. Vulkanen spelen een cruciale rol voor het leven op aarde. Het zijn net ventielen die warmte kunnen afgeven wanneer dat nodig is. In extreme ijstijden (waar grote delen van de aarde bedekt waren door gletsjers) kon magma uit de lagen onder het aardoppervlak naar buiten stromen en de aarde helpen opwarmen. Vandaag kunnen we tot de indrukkwekkende, maar al jaren terugtrekkende gletsjers lopen. Iets lager gaat met de mountainbike de weg linea recta terug naar het hotel.
De Panamerican highway ligt 200 meter van het hotel af. Een bushalte is hier een rekbaar begrip. In feite zijn deze alleen in de stadscentra te vinden. Door de hoteleigenaar word ik afgezet en verteld iets verderop de bus te pakken. Er is niets dat ook maar op een halte lijkt. Het verkeer dendert aan een stuk door. Je moet eerst de juiste bus herkennen, deze dan afzwaaien en hopen dat hij op tijd vaart mindert en stopt. Dit is niet te doen. Om niet een uur aan de snelweg te staan kun je beter iedere bus afzwaaien en hopen dat dit de juiste is. Het plan werkt en wonderwel stapt er een minuut later nog een Nederlandse naar binnen. Je moet goed op je spullen passen in Ecuador en dat geldt zeker onderweg met alle bagage. Als rugzaktoerist ben je hier dan op je kwetsbaarst. Ecuador is een van de rijkere landen van Latijns-Amerika en exporteert voornamelijk veel grondstoffen als olie, cacao, fruit en bloemen. Maar de kloof tussen rijk en arm is immens. De helft van de bevolking moet van een paar dollar per dag rondkomen. Daarbij heeft de pandemie flink huisgehouden. Er is veel armoede op straat en deuren van hotels en restaurants blijven gesloten om ronddolende, bedelende figuren buiten te houden. Zakkenrollerij is nooit te rechtvaardigen maar wel te verklaren. De busritten zijn - zeker als je alleen reist - mede hierom niet echt ontspannen.
Recent Posts









