Met de trein door Japan
Na drie weken Japan heb ik nog geen vuilnisbak gezien, afgezien van op de hotelkamer. Op straat en in publieke ruimtes zijn er geen te vinden. Je verwacht dat het een bende op straat is. Het tegendeel is waar, het is het schoonste land dat er bestaat. Bij de meeste hotels en ook restaurants wissel je bij de deur je schoenen in voor slippers. Megasteden als Tokio zijn brandschoon, er ligt niet of nauwelijks afval op straat. Iedereen wordt geacht zijn afval mee naar huis te nemen. Waar het vervolgens gescheiden en afgehaald wordt. Je ziet of merkt hier niets van. Als Westerling is het even wennen je vieze plastic afval de ganse dag in je tas mee te nemen. Op straffe van boetes wordt afval weggooien ontmoedigd. Evenals roken. Op straat wordt er niet gerookt (op straffe van boetes). Dit zijn enkele van de ‘harde’ uitgesproken regels. Dan is er nog een stuwmeer aan etiquette en ongeschreven regels. Prachtig, want het is een cultuurschok voor veel bezoekers. Voornamelijk in positieve zin; men is onder de indruk van de Japanse discipline en oog voor detail. Geweldig, die aandacht voor details. Van allerlei hulpmiddelen en ‘hacks’ tot handgeschreven notities over hoe een apparaat te gebruiken. De toiletten vermijd je beter, het is een echte gebruiksaanwijzing met allerlei knoppen en elektronica. Als je niet oppast word je langs alle kanten besproeid. De omgangsvormen, de discipline en aandacht voor details heb ik in deze mate nergens anders gezien. Japanners lijken te beseffen dat als ieder van de 125 miljoen (en dalende vanwege sterke vergrijzing) zijn of haar steentje bijdraagt de maatschappij er beter op wordt. En al die miljoenen handelingen maken een verschil; het voelt als een modern Westers land met een cultuur 180 graden anders dan in Noord-Europa en de VS.
Beleefdheid kent geen grenzen in Japan. Het is vorm en etiquette maar wel zo prettig. Hierdoor is het wel lastiger een ‘normaal’ gesprek aan te knopen en de taalbarrière helpt hier niet bij. Ik vind de Japanners wat gereserveerd. Ik denk niet dat het een gebrek aan interesse of nieuwsgierigheid is, maar ze laten je vooral met rust. Niemand die een praatje komt maken of enige interesse toont. Vandaar dat Japan populair is onder introverte reizigers; je wordt met rust gelaten. Ik vind dit wel een mindere kant van reizen door Japan. Zeker na de Olympische Spelen spreken de meeste Japanners wel een woordje Engels, maar het gaat niet van harte. Ze lijken zich te schamen voor hun gebrekkige Engels. Als echte perfectionisten doen ze liever iets met volledige overgave of helemaal niet. Je komt niet snel een onverschillige, laconieke Japanner tegen. Zelfs de verkeersregelaar of treinconducteur neemt zijn taak bloedserieus. Wat vervolgens - ironisch genoeg - voor mij onbeleefd overkomt is dat je bij restaurants geweigerd wordt omdat ze het Engels niet goed beheersen of op een andere manier denken je niet goed van dienst te kunnen zijn. Die weigering is indirect, door bijvoorbeeld te stellen dat het restaurant vol is of alleen werkt met reserveringen.
De vergelijking van Japan met Engeland (ook een eilandstaat) tegenover China en de VS vind ik wel treffend. Het contrast tussen beleefdheid en perfectionisme aan de ene kant tegenover snelheid en doelmatigheid aan de andere kant. Volgens mij moet het benauwd zijn om Japanner te zijn. Het lijkt of men elkaar in beleefdheid overtreft. Soms is dit hilarisch en kan men er ook wel om glimlachen. Met name het elkaar laten voorgaan bij een deur, trap of lift. In een busrit weet de chauffeur een vrijwel zekere botsing te voorkomen. Hij houdt zijn arm voor de passagiers die naast hem staan alsof hij deze nog zou kunnen opvangen. Het is totaal niet zijn fout maar bij de volgende stop komt hij persoonlijk achter de bus in gelopen om iedereen excuses te maken (!). Ik reis liever met de trein maar bij zo’n buschauffeur stap ik graag nog eens in. In het openbaar vervoer – maar ook elders – nog veel mondkapjes. De hygiëne standaard is wellicht iets doorgeschoten. Werkelijk alles zit verpakt in kleine plastic verpakkingen. In sommige hotels krijg je iedere dag een nieuwe tas aan je deur gehangen vol met eenmalige prullaria zoals een scheermes, wattenstaafjes en zelfs pyjama. Overal desinfectiemiddelen en natte handdoekjes in de restaurants. Het is vooral heel veel (overbodig) plastic en papier.
Op straat niets dan zuinige Toyota’s, Suzuki’s, Honda’s, Daihatsu’s en Subaru’s. Japan beschikt vrijwel over geen olie -en gasreserves en moet alle brandstoffen importeren. Na de oliecrisis in de jaren ’70 ging het roer om. Hier geen slurpende SUV’s maar kleine, zuinige blokkendoosjes (waar ze de motor precies hebben verstopt is me een raadsel). Over smaak valt te twisten maar ze maken nauwelijks lawaai. En natuurlijk wordt er niet getoeterd. Het is wel opletten; het stuur zit rechts en er wordt links gereden (net als in het VK). Japan is – helaas - totaal geen fietsland. Koga Miyata mag dan van oorsprong Japans zijn, ik heb nog geen meter fietspad kunnen ontdekken. Dat is zonde, want de paar fietsers zie je over de stoep of tussen de auto’s door rijden.
De treinen en metro zijn daarentegen geweldig. Net zoals bij frisdrankautomaten en betaalmachines in winkels gaat de transactie hier machinaal.
Japan heeft natuurlijk de “bullet” treinen (Shinkansen) maar daarnaast ook veel kleine regionale boemeltjes. Een keer is het slechts één wagon en sta ik de hele rit vooraan zo ongeveer naast de machinist. Het is verwarrend, al die verschillende lijnen en uitzonderingen. Maar er zijn zelden vertragingen en je hebt geen auto nodig om door Japan te reizen. Tokio is vooral heel groot en druk. Als je van winkelen houdt ben je hier op de juist plek. Er komt geen eind aan enorme winkelcentra met ‘fast fashion’ en elektronica. In grote hallen tientallen jonge Japanners naast elkaar achter grote speelmachines. Een westerling is hier geen noviteit meer. Er zijn veel toeristen, het mysterieuze en eigenwijze Japan houdt aantrekkingskracht. Het zijn niet de typische backpackers van Zuid-Amerika of Zuid Oost Azië. Al kan je relatief goedkoop overnachten in een van de vele capsule hotels. Dan zit je wel opgesloten in een cel van twee vierkante meter zonder raam! Hotels zijn redelijk aan de prijs in Tokio, maar niet duurder dan Amsterdam. En uit eten gaan is goedkoper dan Nederland of België. De keuken valt me – als vegetariër - nog wat tegen. Ook hier een barrage aan ongeschreven regels waar je door vallen en opstaan aan went. Stokjes gebruiken en geen eten laten staan. Fooi geven is onbeschoft, maar dat went snel genoeg. Het is vooral heel veel vlees wat de pot schaft. En vis. Het aanbod aan vegetarisch is beperkt, je moet er echt naar op zoek. Er zijn wel vegetarische opties maar minder dan bijvoorbeeld in China of Taiwan waar meer tofu aan bod komt.
Wat een magistrale berg is Fuji toch. Een inactieve vulkaan en de hoogste top van Japan, om de hoek van Tokio. Geen wonder dat er veel volk op af komt in de weekenden. Tot de boomgrens is het mooi door het bos wandelen. De heilige status van de berg komt terug in de vele ‘shrines’ oftewel altaren en gebedsplekken onderweg. De oorspronkelijke godsdienst van Japan, het Shintoïsme, had veel kenmerken van een natuurgodsdienst. Naderhand is het meer en meer verweven geraakt me het boeddhisme. In de zomermaanden geen sneeuw op de berg en dat is het seizoen dat Fuji beklommen wordt. Met duizenden tegelijk en het is nogal dringen. Begin Oktober is het rustig en alhoewel het officieel niet mag en sterk ontmoedigd wordt, wordt het oogluikend wel toegestaan. Het is een lange beklimming maar praktisch ongevaarlijk. De hoogte (3.767m) is voor vrijwel iedereen prima te doen. In de wintermaanden is het een ander verhaal omdat er veel sneeuw ligt. Je hebt dan meer materieel en dikke kleding nodig. De dag dat Simon uit Amiens en ik bovenkomen is het schitterend weer met mooie vergezichten. De gevoelstemperatuur is -15 graden aan de top, voornamelijk door de ijzige rukwinden. We zijn nog in redelijk goede doen en besluiten naar beneden te razen om de laatste bus te halen. Niet per se nodig (we kunnen ook een taxi delen) maar wel haalbaar en praktisch. Een uur en 1.500 meter lager verder is de pijp wel leeg maar we zitten in de bus. Voor Simon was het allemaal wat te veel, hij verkrampt en valt flauw in de bus. Gelukkig is hij nog wel bij kennis en liggende op de vloer knapt hij langzaam wat op. Hij is net even te diep gegaan vandaag.
De reis gaat verder naar Hakuba in de provincie Nagano. Het gebied staat beter bekend als de ‘Japanse Alpen’. Verspreid over dit gebied werden in 1998 de Olympische Winterspelen georganiseerd. Daar wordt overal nog aan herinnerd, zeker in dit kleine stadje dat ook wel bekend staat als het ‘Chamonix van Japan’. Met name in de wintermaanden komen er skiërs en snowboarders van over de hele wereld af op het dikke pak sneeuw. In de zomer is het er prachtig wandelen. Ook nu in de herfst zijn de omstandigheden uitstekend en ligt er enkel op de toppen een eerste sneeuwlaagje. Het zijn voornamelijk Japanse senioren die er goed geoutilleerd op uit trekken. De skiliften doen dienst om wandelaars in het middengebergte af te zetten om vanuit daar een gooi naar enkele van de toppen te doen. Er volgen enkele mooie wandelingen door bossen met alle herfstkleuren langs kleine meertjes tot aan de sneeuwwitte toppen. Terug in het dorp spreken de jonge Japanners die in de hotels werken een aardig woordje Engels. Het zijn wintersportfanaten die het sneeuwseizoen afwachten.
Met de veiligheid is het prima gesteld in Japan. De Zuid Amerikaanse gewoonte van handen strak op portemonnee en telefoon slijt langzaam. Bij pinautomaten kijk ik niet schichtig meer over mijn schouders. Enkele keren zie ik mensen bukken om een gevallen kwartje terug bij de eigenaar te brengen. Japan komt steevast terug in lijstjes van meest veilige landen om te reizen. Datzelfde geldt voor verkeersveiligheid. Daar staat tegenover dat je beter niet met politie en justitie in aanraking kunt komen. Al is dit universeel. Het justitieapparaat beschikt over enorme macht en bevoegdheden. Verdachten die voorkomen worden steevast veroordeeld, dit veroordelingspercentage ligt op 99,8% (!). Precies vanwege deze verontrustende statistiek waagde gevallen topman Carlos Ghosn (Renault Nissan) zijn inmiddels befaamde ontsnappingspoging. Eind 2019 besloot hij – terwijl in huisarrest - de aantijgingen van fraude en zelfverrijking niet langer af te wachten. Verstopt in een kist voor muziekinstrumenten (met luchtgaten) werd hij met ingeschakelde hulp van Amerikaanse ex mariniers het land uit gesmokkeld in een privé vlucht. Het plan slaagde wonderwel en Japan stond voor schut. Voorlopig is de heer Ghosn veilig terug in Libanon, een land zonder uitleveringsverdrag met Japan. Vrij, maar zonder de privileges van de CEO van een multinational.
Kioto is een schitterende stad, een verademing na Tokyo. Glas en beton maken plaats voor groen en hout. De stad oogt met al haar tempels ontspannen. Al barst het ook hier van de toeristen. Het had weinig gescheeld of Kioto was met de grond gelijk gelijkmaakt. De oude hoofdstad stond op de nominatie om de eerste atoombom op af te werpen. De toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken kon het niet over zijn hart verkrijgen de stad van zijn huwelijksreis te vernietigen. Dus staan de vele pagodes, tempels en huizen met houten façades nog fier overeind. Er is minder hoogbouw, meer groen en de vele smalle straatjes zijn sfeervol. Drukke havenstad Osaka, op een steenworp afstand, is weer het tegenovergestelde. Modern en gericht op eten en winkelen. Bewoners zetten zich hier duidelijker af tegen het traditionele Japan.
‘Vredesstad’ Hiroshima maakt indruk. Het park met museum is goed opgezet. Toen Nazi Duitsland in mei 1945 capituleerde bestond er nog geen kernwapen. Er werd door verschillende regimes koortsachtig aan gewerkt, tot dan toe nog zonder doorbraak. Het ‘Manhatten Project’ was mede opgezet uit angst dat de Nazi’s aan een machtig wapen werkten. Onder leiding van Oppenheimer vorderde men in Los Alamos gestaag, al werden de eerste succesvolle testen pas na Duitslands capitulatie afgerond. Japan wilde niet capituleren en ging niet akkoord met de eisen zoals voorgelegd door de grote drie in Potsdam. Truman informeerde Stalin een dag voor de conferentie over de succesvolle test met een nieuw, machtig wapen. Stalin was dankzij zijn spionnen echter al lang op de hoogte. Zijn antwoord was dat het alleen maar goed zou zijn wanneer de oorlog snel afgelopen zou zijn. Het idee van een demonstratie bom op een onbewoond eiland werd van tafel geveegd. Aldus nam Truman het dramatische besluit tot inzet van een kernwapen op een logistiek en militair knooppunt. Dit besluit was mede ingegeven als afschrikkingsmiddel naar met name Rusland (als voorbode op de koude oorlog) maar vooral vanwege het felle Japanse verzet waar het Amerikaanse leger in Okinawa op stuitte. Een langdurige oorlog met vele verliezen was een doemscenario voor de Amerikanen. Hiroshima werd aldus weggevaagd, tiendduizenden burgers kwamen om in een helse vuurzee. Alhoewel de enorme omvang van de ramp vrij snel tot Tokyo doordrong wilde (het verdeelde) Japan niet direct capituleren en hield vast een zijn condities. De krijgsmacht vocht liever tot het bittere eind. De belangrijkste eis van Japan, behoud van ‘goddelijkheid van de keizer’, moet worden begrepen in het licht van de natiestaat of nationale identiteit zo typisch voor die periode. Generaal Douglas MacArthur dwong keizer Hirohito uiteindelijk via een radiotoespraak (Japanners hadden hem nog nooit horen spreken) afstand te doen van zijn ‘goddelijkheid’. Desondanks kon Hirohito (die intensief bij de oorlog betrokken was) wel aanblijven en bracht in 1971 zelfs een officieel bezoek aan Nederland (voorzien van de begrijpelijke protesten).
In de niche van een geïsoleerd eiland kon de Japanse cultuur haar eigenheid behouden en zich verder ontwikkelen. De cultuur is mede zo lang intact gebleven omdat er nooit (m.u.v. de Amerikaanse bezetting na WOII) een buitenlandse bezetter is geweest. Invloeden van buitenaf werden door de eeuwen heen geweerd. De Portugezen waren de eerste Europeanen ter plekke en aasden op de handel met de shoguns (lokale leiders). De bekeringsdrang van het katholicisme beviel de Japanners uiteindelijk allerminst en de Portugezen werden dan ook zonder pardon in 1639 het land uitgezet. Jaren daarvoor waren de eerste contacten met Nederlandse handelsmissies als niet onprettig ervaren. Meer koopman dan dominee vielen de Hollandse protestanten zonder veel geloofsovertuiging beter in de smaak. De listige Nederlandse koopmannen wisten de shoguns wijs te maken dat de concurrerende Engelsen het katholicisme aanhingen. Hierdoor, en omdat de grotere Paapse legers gevreesd werden mochten alleen de Nederlanders blijven. Aldus was handelspost Decima geboren, een piepklein eilandje in de haven van Nagasaki in het uiterste zuiden van Japan. Dit kunstmatige, waaiervormige eilandje van nog geen anderhalve hectare was van 1641 tot 1859 het enige contact tussen de Westerse wereld en het grotendeels van de buitenwereld afgesloten Japan. De Nederlanders leefden op Decima onder strikte beperkingen. Het eilandje (zo groot als de Dam van Amsterdam) was slechts via één brug toegankelijk. Er mocht maar een beperkt aantal (10 tot 15) Nederlanders op het eiland verblijven. Met uitzondering van een jaarlijks bezoek aan de shogun in Edo (het huidige Tokyo) mochten zij niet van hun eilandje af. Nederland importeerde met name goud, zilver, koper, kamfer, sake en soja. Alles veranderde toen in 1853 een Amerikaanse vloot Japan dwong zich verder te openen naar de rest van de wereld.

Recent Posts









